random
Wetenschappelijk

Hits: 1399
Geplaatst
door: ME-gids
op: 7 sep 2015
Bijgewerkt: 7 sep 2015
Bron: ME Research UK

Verschillen tussen vrouwen en mannen bij ME/CVS


© Mikael Häggström | Wikimedia Commons
ME Research UK , 19 augustus 2015

ME/CVS treft meer vrouwen dan mannen, in een verhouding van ongeveer 4 : 1. In dit opzicht is de ziekte vergelijkbaar met andere immuun-inflammatoire aandoeningen, zoals systemische lupus erythematosus, multiple sclerose, reumatoïde artritis, het syndroom van Sjögren, etc. die ook vaker voorkomen bij vrouwen.

Omdat erg weinig studies ooit hebben onderzocht of het vrouw of man zijn van invloed is op het verloop van de ziekte, zou het voorbarig zijn om aan te nemen dat beide geslachten hetzelfde ziekteproces doormaken; misschien vormen mannen en vrouwen verschillende ”fenotypes” van ME/CVS? We vermoeden immers al dat patiënten wiens ziekte met een infectie is begonnen, of patiënten die een hoge mate van autonome symptomen hebben (lees meer), of patiënten die ouder zijn ( lees meer) verschillende subtypen van de ziekte vertegenwoordigen.



Om dit onderwerp te onderzoeken, besloten onderzoekers van het Val d’Hebron Universitair Ziekenhuis in Barcelona om de kenmerken te vergelijken van 1309 opeenvolgende ME-patiënten (volgens de Fukuda criteria), merendeels verwijzingen van de eerstelijnszorg die hun kliniek bezochten tussen januari 2008 en mei 2011, om seksegerelateerde verschillen te identificeren die implicaties zouden kunnen hebben voor het verloop van de ziekte of de therapeutische behandeling. Van de 1309 patiënten waren 119 (9,1%) mannen en 1190 (90,9%) vrouwen. De onderzoekers vonden een aantal significante verschillen tussen beide geslachten in verschillende klinische en demografische factoren:

  • De meest voorkomende triggerende factor bij alle patiënten was een infectie, maar een groter aantal mannen rapporteerde een initieel infectieproces (26,9 tegenover 13,0%), terwijl zaken zoals zwangerschap en bevalling initieel precipiterende factoren waren bij 11,3% van de vrouwen.
  • Mannen werden op een jongere leeftijd gediagnosticeerd dan vrouwen (43,0 tegenover 47,9 jaar), en waren op jongere leeftijd ziek geworden.

  • Meer mannen waren single (31 tegenover 16%), en meer werden omschreven als ‘opgeleide werknemers’ (32 tegen 20%).

  • Geheel genomen hadden 27,9% van de vrouwen een familiegeschiedenis van chronische pijn tegenover slechts 18,5% van de mannen, hoewel er geen verschil was in hun familiegeschiedenis van ziekten.

  • Het voorkomen van ‘comorbide aandoeningen’ (ziekten die voorkomen naast ME/CVS) was hoger bij vrouwen dan bij mannen, met zeer significante verschillen in het aantal schildklieraandoeningen (ongeveer 20% bij vrouwen tegenover minder dan 5% bij mannen), fibromyalgie (58 versus 29%), schoudertendinitis en regionale myofasciale pijn (bv. pijn en ontsteking in de spieren of bindweefsels).

  • De voornaamste klinische verschillen tussen mannen en vrouwen waren immuun- en spiersymptomen. Immuunsymptomen waren minder frequent bij mannen dan bij vrouwen: het fenomeen van Raynaud (19,3 tegenover 27,9%), gegeneraliseerde ochtendstijfheid (76,5 tegenover 83,7%), verspringende gewrichtspijn (79 tegenover 86,4%), allergie voor medicatie (16 tegenover 24,8%) en allergie voor metalen (6,7 tegenover 17,1%). Spiersymptomen waren minder frequent bij mannen: gegeneraliseerde pijn (78,2 tegen 90,9%), problemen met de fijne motoriek vanwege pijn (77,3 tegen 86,1%) en spierkrampen (83,2 tegen 89,6%).

  • Vrouwen hadden slechtere scores voor fysiek functioneren, rol fysiek en algemene lichamelijke gezondheid op de MOS SF-36 vragenlijst die de kwaliteit van leven onderzoekt.

De belangrijkste boodschap uit dit relatief eenvoudige onderzoek is dat er veel meetbare verschillen zijn tussen vrouwen en mannen met ME/CVS, vooral wat betreft het begin van de ziekte, ernaast bestaande aandoeningen en symptomen. Of deze echter bewijs zijn van verschillende klinisch relevante “fenotypes” op basis van geslacht blijft nog te bezien, omdat verschillen in toegang tot de gezondheidszorg of andere sociale factoren ook betrokken kunnen zijn.

Niettemin wijzen de auteurs erop dat ME/CVS het best kan worden gezien als aan een neuro-inflammatoir proces (getriggerd door een scala aan invloeden) dat een bepaalde cluster van symptomen veroorzaakt, met inbegrip van inspanningsintolerantie en neurocognitieve problemen, bij patiënten met een genetische aanleg. Aangezien er neuro-immuunverschillen zijn tussen beide geslachten, zouden sommige verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke ME/CVS-patiënten wel eens verschillen kunnen weerspiegelen in de ziekte en hoe die zich ontwikkelt.

Verder lezen

  • Gender differences in chronic fatigue syndrome. Faro M, et al. Reumatol Clin, 2015 Jul 16.
    Genderverschillen bij chronisch vermoeidheidssyndroom.
    Lees meer ( volledige tekst in het Spaans ).

  • Is chronic fatigue syndrome in older patients a different disease? A clinical cohort study. Lewis I, et al. European Journal of Clinical Investigation, 2013 March; 43(3): 302–8.
    Is chronisch vermoeidheidssyndroom bij oudere patiënten een andere ziekte? Een klinische cohortstudie.
    Een door ME Research UK gefinancierd onderzoek ( lees meer).

  • Clinical characteristics of a novel subgroup of chronic fatigue syndrome patients with postural orthostatic tachycardia syndrome. Lewis I, et al. Journal of Internal Medicine, 2013 May; 273(5): 501–10.
    Klinische kenmerken van een nieuwe subgroup van CVS-patiënten met posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom.
    Een door ME Research UK gefinancierd onderzoek ( lees meer).


Gender differences in chronic fatigue syndrome


Mònica Faro, Naia Sàez-Francás, Jesús Castro-Marrero, Luisa Aliste, Tomás Fernández de Sevilla, José Alegre
Reumatología Clínica
Recibido 31 diciembre 2014, Aceptado 15 mayo 2015

Abstract

Background and objectives

Chronic fatigue syndrome (CFS) is a chronic condition that predominantly affects women. To date, there are few epidemiologic studies on CFS in men. The objective of the study was to assess whether there are gender-related differences in CFS, and to define a clinical phenotype in men.

Patients and methods

A prospective, cross-sectional cohort study was conducted including CFS patients at the time of diagnosis. Sociodemographic data, clinical variables, comorbid phenomena, fatigue, pain, anxiety/depression, and health quality of life, were assessed in the CFS population. A comparative study was also conducted between genders.

Results

The study included 1309 CFS patients, of which 119 (9.1%) were men. The mean age and symptoms onset were lower in men than women. The subjects included 30% single men vs. 15% single women, and 32% of men had specialist work vs. 20% of women. The most common triggering factor was an infection. Widespread pain, muscle spasms, dizziness, sexual dysfunction, Raynaud's phenomenon, morning stiffness, migratory arthralgias, drug and metals allergy, and facial oedema were less frequent in men. Fibromyalgia was present in 29% of men vs. 58% in women. The scores on physical function, physical role, and overall physical health of the SF-36 were higher in men. The sensory and affective dimensions of pain were lower in men.

Conclusions

The clinical phenotype of the men with CFS was young, single, skilled worker, and infection as the main triggering agent. Men had less pain and less muscle and immune symptoms, fewer comorbid phenomena, and a better quality of life.

Hoe citeren?

Faro M, et al. Diferencias de género en pacientes con síndrome de fatiga crónica. Reumatol Clin. 2015. http://dx.doi.org/10.1016/j.reuma.2015.05.007

Diferencias de género en pacientes con síndrome de fatiga crónica


© Vertaling Meintje, redactie zuiderzon, ME-gids van “ME/CFS in women and men” (© ME Research UK, 19 augustus 2015)

 

 


| |

Nog geen reacties geplaatst

Alleen ingelogde gebruikers kunnen een reactie plaatsen. Registreren of inloggen.