random
Wetenschappelijk

Hits: 943
Geplaatst
door: ME-gids
op: 15 apr 2019
Bijgewerkt: 15 apr 2019
Bron: Cort Johnson, Health Rising

Atypische hypothyreoïdie bij ME/cvs, plus een nieuwe schildkliersubgroep?


Cort Johnson, Health Rising, 4 maart 2019

Spelen problemen met het gaspedaal van het lichaam – de schildklier – meer een rol bij ME/cvs dan de meeste artsen denken?

Problemen met de schildklier – het ‘gaspedaal van het lichaam’, zoals Dr. Teitelbaum het noemt, lijken logisch gezien de vermoeidheid, inspannings- en andere problemen die bij ME/CVS gevonden worden. Het beoordelen en behandelen van de schildklier is echter een gebied waar de aanpak van ME/CVS-artsen duidelijk kan afwijken van andere artsen.



Standaard schildkliertesten zijn vaak negatief bij ME/CVS maar Dr. Bateman heeft verklaard dat ongeveer een derde van haar ME/CVS-patiënten hypothyreoïd zijn. Dr. Holtorf – die gepubliceerd heeft over schildklierproblemen – is van mening dat de standaard TSH-testen op de verkeerde plaats zoeken.

Deze testen beoordelen de rol van de hypofyse bij het in gang zetten van productie van schildklierhormoon. Holtorf beweert echter dat schildklierhormoonniveaus van de hypofyse vaak niet weerspiegelen hoe sterk het schildklierhormoon daalt in andere delen van het lichaam bij veel mensen met ME/CVS.

T4 – het hormoon dat geproduceerd wordt door de schildklier – is niet de meest actieve vorm van schildklierhormoon. Het is alleen wanneer T4 afgebroken wordt door niet-schildklierweefsels, zoals de lever, dat T3 – de biologisch actieve vorm van schildklierhormoon – geproduceerd wordt.

Holtorf is van mening dat schildkliertesten die schildklierniveaus (vrij T3) of schildklierhormoonremmers (reverse T3; vrij T3/reverse T3) op een meer directe manier meten evenals andere metabole en inflammatoire testen (basaal metabolisme, SHBG, leptine, ferritine, peesreflexen) zouden opgenomen moeten worden in standaardtesten voor ME/CVS.

Vorig jaar onderzocht een grote (n=197) Nederlandse studie de schildklierkwestie bij ME/CVS grondiger dan ooit tevoren, en heeft daarmee mogelijk een nieuwe subgroep van schildklierziekten ontdekt.

Higher Prevalence of “Low T3 Syndrome” in Patients With Chronic Fatigue Syndrome: A Case–Control Study Begoña Ruiz-Núñez, Rabab Tarasse, Emar F. Vogelaar, D. A. Janneke Dijck-Brouwer and Frits A. J. Muskiet. Front. Endocrinol., 20 March 2018 | https://doi.org/10.3389/fendo.2018.00097

Hogere prevalentie van “Laag T3-syndroom” bij patiënten met chronisch vermoeidheidssyndroom – een patiënt-controleonderzoek

Vanuit de hypothese dat de “subklinische hypothyreoïdie” (op basis van normale TSH-niveaus) bij ME/CVS veroorzaakt wordt door laaggradige inflammatie, groeven deze onderzoekers dieper dan de meesten. Niet alleen onderzochten ze een volledige reeks van schildkliermetingen, maar ze beoordeelden ook traditionele markers van inflammatie, metabole inflammatie (gemedieerd door insulineresistentie, novo lipogenese (DNL)), en HDL-cholesterol (HDL-C). (Metabole inflammatie verwijst naar aandoeningen waarbij metabole en inflammatorie reactiepaden bijdragen aan atherosclerose, insulineresistentie (IR) en diabetes type 2.)

Plus, denkend aan de vraag over lekke darm/inflammatie, beoordeelden ze de integriteit van de darmwand en de status van nutriënten die van invloed kunnen zijn op schildklierfunctie (iodine en selenium) en inflammatie (visolievetzuren, vitamine D, kynurenine, tryptofaan, etc.).

Met 99 mensen met ME/CVS en 98 gezonde controles, leek de studie behoorlijk robuust.

Resultaten

De resultaten droegen de conclusie van Dr. Holtorf uit dat TSH-gehaltes onvoldoende zijn om de werking van de schildklier bij ME/cvs te beoordelen.


Behalve voor TSH – die normaal was – en reverse T3 – die hoger was – was bijna elke schildkliermeting lager in de groep met ME/CVS.

Deze Nederlandse en Spaanse onderzoekers vonden dat TSH-niveaus inderdaad vergelijkbaar waren tussen ME/CVS-patiënten en gezonde controles, maar vrijwel elke andere schildkliermeting was significant lager in de groep met ME/CVS (vrij triiodothyronine FT3) (verschil in medianen 0.1%), totale thyroxine (TT4) (11.9%), totaal triiodothyronine (TT3) (12.5%), %TT3 (4.7%), totale activiteit van deiodinase (14.4%), secretiecapaciteit van de schildklier (14.9%) en 24-uursurine van jodium (27.6%)). Plus, hogere percentages van reverse T3 (rT3) (13.3%) suggereerde dat verhoogde niveaus van schildklierremming mogelijk aanwezig zijn bij ME/CVS.

De auteurs noemden de verlaagde jodiumwaarden in de 24-uurs urine van ME/CVS-patiënten “opmerkelijk” (wat gewoon “opmerkenswaardig” kan betekenen). Zowel de ME/CVS-groep als de gezonde controles hadden ook ongeveer een half zo optimale omega-3-index die nodig is voor bescherming tegen cardiovasculaire en neuropsychiatrische ziekten.

Het documenteren van bewijs van wijdverspreide schildklierproblemen die niet opgepikt worden door standaard TSH-testen was inderdaad vooruitgang, maar de bevinding die er echt uitsprong, betrof de 16% ME/CVS-patiënten die voldeden aan de criteria voor “laag T3-syndroom”. (Zeven procent van de gezonde controles voldeden hier ook aan.)

Een nieuwe schildkliersubgroep voor ME/CVS?

Laag T3-syndroom of niet-thyroïdaal ziektesyndroom (NTIS) (of euthyroïde ziektesyndroom - ESS) is een gedisputeerde ziekte die gevonden wordt bij enkele ernstige ziektetoestanden, waaronder sepsis, verhongering, hartaanval, en anderen. Dr. Leslie J DeGroot, een topendocrinoloog, rapporteerde in een review uit 2015 “The Non-Thyroidal Illness Syndrome” [ Het niet-thyroïdaal ziektesyndroom” - link in het Engels, n.v.d.r.] dat dit syndroom waarschijnlijk voorkomt in “elke ernstige ziekte”.

DeGroot begint zijn review met te stellen dat NTIS “verwijst naar een syndroom dat gevonden wordt bij ernstig zieke of uitgehongerde patiënten die lage vrije T3, verhoogde omgekeerde T3 [rT3 of reverse T3], normale of lage TSH, en, als de aandoening chronisch wordt, lage vrije T4. DeGroot stelt dat deze bevindingen aangeven, zoals Dr. Holtorf beweert, dat lage niveaus van schildklierhormoon in de weefsels aanwezig zijn, en dat er dus hypothyreoïdie in de weefsels aanwezig is. (Merk op dat er geen laag totaal T4 gevonden werd in de ME/CVS-groep.)

In sommige opzichten is dit syndroom geen verrassing: niveaus van schildklierhormoon in het serum staan erom bekend om te dalen tijdens verhongering en ziekte. Verhongering (calorische deprivatie) remt de omzetting van T4 in T3 (de actieve vorm van schildklierhormoon) en voorkomt het metabolisme van omgekeerde T3 (die de receptor voor T3 blokkeert, waardoor de productie van T3 vermindert.)


Dr. Bateman rapporteert dat een derde van haar ME/CVS-patiënten een te trage schildklier hebben.
© Häggström, Mikael (2014). "Medical gallery of Mikael Häggström 2014". WikiJournal of Medicine 1 (2).

De vermindering van actieve schildklierhormoonniveaus lijkt logisch, gezien de vergelijkbare vermindering in de basaal metabolisme die in gang gezet wordt door verhongering: het lichaam lijkt zich neer te vlijen en probeert zijn bronnen te sparen totdat er voedsel aanwezig is.

Verhongering is niet de enige veroorzaker van dit proces. DeGroot rapporteert dat een groot deel van de mensen op de intensieve zorg ook lage T3- en T4-niveaus vertonen. Ze hebben ook de neiging om een verhoogde reactie van het sympathisch zenuwstelsel te hebben – die, natuurlijk, typisch is bij ME/CVS.

Er zijn verschillende hypothesen naar voren gebracht die suggereren dat NTIS nuttig of onbeduidend is en er niet aan getornd mag worden. Ze vermelden de mogelijkheid dat de afwijkingen een vertekend beeld geven, dat ze niet de werkelijke vrije hormoonbevindingen weerspiegelen, en dat ze de manier van het lichaam weerspiegelen om met de situatie om te gaan.

DeGroot is echter van mening dat de bevindingen een pathologische staat weerspiegelen. Hij lijkt niet te geloven dat de niveaus van schildklierhormoon van de hypofyse verschillen van deze van het lichaam bij NTIS, maar suggereert dat cortisol / cytokineniveaus / lage zuurstofgehaltes (hypoxie) / verminderde leptine etc. waarschijnlijk verantwoordelijk zijn voor de ingangzetting van NTIS.

De paradox rond T4 – als behandelingen dingen erger maken

De persoonlijke ervaring van DeGroot is dat het behandelen van patiënten met NTIS met T4 (ongepubliceerd) vaak resulteren in verhoogde rT3-niveuas (en remming van T3).

Nunez-Ruiz et al. suggereerde ook dat standaard schildkliertherapie (T4) in de NTIS-achtige ME/CVS-subgroep feitelijk een staat van NTIS zou kunnen induceren, en wijst erop dat T3, aanbevolen door Holtorf voor ME/CVS, voorgesteld wordt voor ernstige NTIS. Ze verwezen naar de NHANES-cohort, die vond dat toediening van T4 resulteerde in hogere T4-niveaus maar 5 tot 10% lagere T3 en FT3-niveaus, en 15 tot 20% lagere T3/T4-ratio. Ze geloven dat de weefselniveaus van deze factoren waarschijnlijk veel lager zijn.

Laag “T3-syndroom” in onze studie lijkt op het schildklierhormoonprofiel van een subgroep van hypothyroïde patiënten die T4-monotherapie krijgen. De auteurs

Holtorf heeft ook gevonden dat T4-suppletie niet productief is en bij momenten zelfs schadelijk in zijn populatie van ME/CVS. Wanneer hoge niveaus van rT3 (>150) gevonden worden, of de ratio vrije T3/omgekeerde T3 groter is dan 0.2 (gemeten in picogram per milliliter pg/ml), zal Holtorf in plaats van T4 (Levothyroxine of Armour Thyroid – een varkensklierproduct) vrije T3 (samengesteld) voorschrijven.

Daar is de dauerworm weer...

Ruiz-Nunez et al. geloven dat de metabole studies bij ME/CVS een aanwijzing kunnen geven. De verstoorde mitochondriale productie en hypometabole staat die ze suggereren, lijkt te kloppen met hun bevindingen van NTIS in een subgroep van ME/CVS-patiënten (en men zou denken de algemene toestand van verminderde schildklieractiviteit in de groep als geheel). Hypothyreoïdie is immers geassocieerd met vermindering in metabole snelheid en hartslagen, zuurstofverbruik, lichaamstemperatuur en oxidatie van glucose, vetzuren en aminozuren.

Ze halen er de hele santenkraam bij (inflammatie, infectie, darmproblemen, psychologisch trauma - vooral tijdens de kindertijd), door te suggereren dat de celgevaarreactie (bekend van Naviaux) achter de NTIS-achtige bevindingen kan zitten bij sommige ME/CVS-patiënten. inflammatie kan wel of niet het probleem zijn.

De auteurs geloven dat ME/CVS waarschijnlijk een vaak voorkomende pathofysiologische toestand weerspiegelt die op een aantal manieren bereikt kan worden. Op een verfrissend directe manier rapporteerden ze dat hun studiebevindingen een mogelijke manier voorstelde om die staat te bereiken, “maar het brengt ons niet dichter bij de oorza(a)k(en).”

Herpesvirussen naar de voorgrond?

Is HHV6 het antwoord dat we over het hoofd hebben gezien?

In 2001 rapporteerde Wikland in The Lancet dat biopsieën met een fijne naald (FNAC) aantoonden dat 40% van de mensen met ME/CVS lymfocytische thyreoïditis hebben. Het feit dat de helft van degenen waarbij schildklierproblemen vastgesteld worden, normale labowaarden van de schildklier hadden, suggereert dat labowaarden, zoals Holtorf gelooft, mogelijk niet altijd het hele verhaal vertellen.


Zou HHV-6A kunnen bijdragen aan de schildklierproblemen in ME/CVS? © National Cancer Institute

Hashimotothyreoïditis, de meest voorkomende oorzaak van hypothyreoïdie, treedt op als gevolg van auto-immuunaanval. Casselli’s studiebevindingen uit 2012 van een hoge incidentie van HHV-6A-DNA in schildklierweefsel bij Hashimoto, maar niet in controles (82% vs 10 %, p ≤0.001), suggereert dat HHV-6 de ziekte van Hashimoto zou kunnen uitlokken, (HHV-6A was ook actief in de patiënten met de ziekte van Hashimoto, maar niet in de gezonde controles). Als HHV-6A de ziekte van Hashimoto uitlokt, kan dit misschien ook de hypothyreoïdie uitlokken die bijna endemisch lijkt bij ME/CVS.

Het feit dat Caselli HHV-6A vond, en niet HHV-6B, was opmerkelijk aangezien bijna iedereen in het vroege leven geïnfecteerd wordt met HHV-6B, en niet iedereen geïnfecteerd wordt met HHV-6A – maar wanneer dat wél gebeurt, dan gebeurt het meestal later in het leven, wanneer ook de meeste gevallen van ME/CVS beginnen.

Kristin Loomis van de HHV-6 Foundation heeft jaren geprobeerd om interesse te wekken in het onderzoeken op pathogenen van het schildklierweefsel van mensen met ME/CVS. Ze merkte op dat veel van de verdachte virale schuldigen bij ME/CVS (HHV-6, Parvovirus B19) “smeulende” infecties in de schildklier kan veroorzaken.

Neem nu Bhupesh Prusty, een door Solve ME/CFS Initiative financierd onderzoeker die HHV-6 vond in de cellen van bijna 60% van een kleine groep ME/CVS-patiënten. Prusty vond dat één door HHV-6 geïnfecteerde ME/CVS-cel in staat was om de mitochondriale functie van aangrenzende, of zelfs verre cellen kon veranderen – blijkbaar door mitochondriale remmers uit te scheiden. Prusty zal in april spreken op de ME/CVS-Conferentie van de NIH.

Kristin Loomis speculeert dat als HHV-6 aanwezig is in de schildklier, het mogelijk ook zijn weg gevonden kan hebben naar de hersenstam, waar het de autonome problemen bij ME/CVS zou kunnen helpen teweegbrengen. Op de IACFS/ME-Conferentie in 2016 presenteerde Dr. Klimas bewijs dat indicatoren van HHV-6-activatie gecorreleerd zijn met symptoomernst in ME/CVS. Lees hier meer over HHV-6.

Conclusie

Een vrij grote Nederlandse studie vond bewijs van lage schildklierfunctie in ME/CVS. De studie moet gerepliceerd worden, maar ongeveer 15% van de ME/CVS-groep voldeed aan de criteria voor niet-thyroïdaal ziektesyndroom (NTIS) dat voorkomt bij verhongering, sepsis en waarschijnlijk andere ernstige ziekten. Hoewel de meeste mensen met ME/CVS niet voldeden aan de criteria voor NTIS, suggereren de algemene bevindingen – normale TSH-niveaus, verhoogde omgekeerde T3 en verlaagde waarden op een reeks schildkliertesten – dat de groep als geheel neigde in de richting van NTIS.

De bevindingen wijzen op mogelijk nut van het gebruik van T3 in plaats van T4 voor sommige mensen met ME/CVS. Hoewel er en gebrek is aan studies die de doeltreffendheid van T3 beoordelen, ondersteunen zowel vooraanstaand endocrinoloog Leslie DeGroot, als ME/CVS-specialist Dr. Kent Holtorf het gebruik van T3 (in Dr. Holtorfs geval samengesteld T3) in plaats van de gebruikelijke T4-bereiding (zoals Levothyroxine) bij patiënten met NTIS (DeGroot) of ME/CFS (Holtorf).

Leer meer over wat sommige artsen zeggen over het gebruik van T3 bij ME/CVS:

The Thyroid, Pure T3, Chronic Fatigue Syndrome (ME/CFS and Fibromyalgia: the Recovery Stories

De oorzaak van atypische hypothyreoïdie (normale TSH/ lage T3 / hoge rT3) die gevonden wordt bij sommige mensen met ME/CVS is onbekend, maar zou een poging van het lichaam kunnen weerspiegelen om hulpbronnen te sparen (Dauerstaat), en zou veroorzaakt kunnen worden door cytokines, cortisol, hypoxie, etc. of mogelijk door een pathogeen zoals HHV-6.

Bekijk Dr. Holtorfs aanpak van ME/CVS en hoe hij de schildklier test [link in het Engels]:

https://www.healthrising.org/blog/2016/10/24/thyroid-question-fibromyalgia-chronic-fatigue-syndrome-mecfs/

© Health Rising. Vertaling Zuiderzon, redactie Abby, ME-gids.


| |

Nog geen reacties geplaatst

Alleen ingelogde gebruikers kunnen een reactie plaatsen. Registreren of inloggen.