Bron:

| 2050 x gelezen

Theetijd bij Simmaron – deel I

Cort Johnson, Simmaron Research, 28 september 2015

De Simmaron Research Foundation is er om ME/CVS wetenschappelijk opnieuw te definiëren. Bij een recent evenement dat “A Simmaron Tea” werd genoemd, praatten medewerkers met patiënten over hun recente werk om ontdekkingen in onze ziekte op gang te brengen. Deel 1 van onze samenvatting zal de presentatie bespreken van Dr. Mady Hornig, waaronder enkele vroege resultaten van Columbia’s aan de gang zijnde darmonderzoek. Deel 2 zal Dr. Konstance Knox’ onderzoek naar door muggen of teken overgebrachte pathogenen bij ME/CVS-patiënten samenvatten.

Simmaron heeft samengewerkt met Dr. Hornig op een half dozijn studies om de immunologische afwijkingen bij ME/CVS te ontvouwen. Ze is dokter-wetenschapper van opleiding, professor in de Epidemiologie en directeur van het Translationeel Onderzoek aan de Mailman School of Public Health aan de Columbia Universiteit.

Simmarons samenwerking met Columbia op het gebied van studies naar ruggenmergvocht markeert onze belangrijkste bijdrage aan ME/CVS-onderzoek. Simmaron zet dit onderzoek voort door een tweede fase van dit werk te financieren om metabolomica en proteomica te vergelijken bij ME/CVS- en MS-patiënten.

Mady Hornig

“Wij weten nu dat dezelfde veranderingen in het immuunsysteem die we recentelijk gerapporteerd hebben in het bloed van mensen met ME/CVS die langdurig ziek zijn, ook aanwezig zijn in het centraal zenuwstelsel”. Dr. Hornig

In haar presentatie besprak Dr. Hornig eerst de recente bevindingen van het door het Chronic Fatigue Initiative (Chronisch Vermoeidheidsinitiatief) gefinancierd onderzoek dat uitgevoerd werd door het Columbia team: gigantische immuun-upregulatie bij ME/CVS-patiënten die nog niet lang ziek zijn en immuun-downregulatie bij ME/CVS-patiënten die langer ziek zijn. Dezelfde immuunfactoren, interessant genoeg, die vroeg in de ziekte werden ge-upreguleerd, werden later in de ziekte verpletterd. Een belangrijke virale vechter die IFN-y wordt genoemd die enorm belangrijk was in de vroege ME/CVS maar significant gedownreguleerd werd in latere ME/CVS, richtte een pijl op een proces dat “immuunuitputting” wordt genoemd.

Immuunuitputting

Bevindingen in bloed en ruggenmergvocht kwamen overeen

De eerste studie naar cerebrospinaal vocht die gebruik maakt van de door Dr. Peterson zorgvuldig verzamelde monsters vond een vergelijkbaar patroon van downregulatie van het immuunsysteem. Dat onderzoek (ondersteund door CFI en Evans Foundation) bevatte alleen patiënten met een langere ziekteduur. Deze twee studies – de eerste die vergelijkbare problemen vinden in deze twee verschillende onderdelen van het lichaam – suggereerden dat het immuunsysteem een systeembrede stomp in de darmen had gekregen.

Wat zou dit soort immuunuitputting kunnen veroorzaken? Dr. Hornig stelde dat het in het algemeen in verband wordt gebracht met chronische infecties. In een scenario dat doet denken aan het “moe maar opgedraaid”-probleem bij ME/CVS, wordt het immuunsysteem op hogere toeren gebracht, blijft hangen op hoge toeren en crasht uiteindelijk.

Die mooie overeenstemming tussen immuunbevindingen in het hersenvocht (CSV) en in het bloed was bemoedigend, en de groep graaft dieper in die CSV-monsters. Tot nu toe is een factor die cortisolbindend globuline (CBG) wordt genoemd, opgedoken in eiwitanalyses. Deze intrigerende factor die instaat voor het transport van cortisol in het bloed, is eerder ten tonele gekomen bij hetchronisch vermoeidheidssyndroom, en families met bepaalde polymorfismen in hun CBG-genen hebben toegenomen vermoeidheid en lage bloeddruk.

De ‘Peterson subgroepen’

Eerder haalde Dr. Hornig Dr. Peterson’s buitengewone vooruitziendheid aan in het verzamelen van monsters van cerebrospinale vloeistof gedurende vele jaren en zijn vaardigheid in het karakteriseren van deze monsters. Nu leek zij zowat verbluft te zijn van zijn vermogen om subgroepen bij zijn patiënten te onderscheiden. Op aandringen van Dr. Peterson onderzocht het Columbia Team de cerebrospinale vloeistof van wat hij noemde “klassieke” ME/CVS-patiënten en complexe “atypische” patiënten. Dr. Peterson heeft het al jaren over de klassieke set ME/CVS-patiënten versus andere typen patiënten, maar dit was de eerste keer dat zijn intuïtie op de proef werd gesteld.

Het vinden van subgroepen was cruciaal voor het succes van beide studies

De klassieke patiënten laten typerend een infectieus begin zien terwijl ME/CVS bij de atypische patiënten in verband wordt gebracht met ziekte na transfusie, kanker en andere factoren. Niemand heeft eerder voorgesteld of geprobeerd om te bepalen of deze patiënten biologisch van elkaar verschillen.

Dr. Petersons intuïtie dat zij biologisch van elkaar zouden verschillen, bleek correct. Columbia vond dramatische verschillen bij het CSV van klassieke patiënten versus atypische patiënten. Zowat alle immuunfactoren die werden getest waren hoger bij de complexe atypische versus de klassieke patiënten. De onderzoekers gaan verder kijken naar de cerebrospinale vloeistof bij deze twee types patiënten.

De bevindingen tonen ook aan dat het van groot belang is subgroepen uit elkaar te houden. Zonder de patiënten op te splitsen in subgroepen met een korte en een lange ziekteduur zouden de bevindingen van het grote immuniteitsonderzoek van CFI negatief zijn geweest. Evenzo zouden zonder het uitsluiten van Dr. Petersons subgroep van atypische patiënten de bevindingen van de studie naar cerebrospinale vloeistof niet significant geweest zijn. Gezien de omvang, de kosten en de prominentie van het bloedonderzoek van het CFI, zouden in het bijzonder de negatieve resultaten een significante impuls aan het vakgebied gegeven hebben om af te stappen van het immuunsysteem.

In plaats daarvan is er nu veel belangstelling voor immuunveranderingen bij ME/CVS. Het onvermogen om biologisch gezien belangrijke subgroepen te ontfutselen, heeft ongetwijfeld potentiële belangrijke bevindingen bij ME/CVS gesmoord. In een korte tijdspanne hebben de CFI-onderzoekers en Dr. Peterson twee factoren toegevoegd waar ME/CVS-onderzoekers rekening mee moeten houden bij hun onderzoeken: duur van de ziekte en klassieke versus niet-klassieke patiënten.

Dit is een voorbeeld van “translationele geneeskunde” – gaande van de werkbank (lab) naar het bed (klinisch) en vice versa – op zijn best. Dit kan alleen gebeuren als onderzoekers nauw samenwerken met praktiserende artsen die zij vertrouwen en vice versa.

Het werk m.b.t. de darmen

Columbia’s Center for Infection and Immunity heeft het testen van monsters van 50 patiënten en 50 gezonde controles voltooid, die zijn gestart in de CFI-studie en uitgebreid in een door NIH gefinancierde studie om het ME/CVS-microbioom te analyseren. Ze zijn nu bezig om de analyse van de monsters te voltooien.

Mady Hornig gelooft dat de darmen antwoorden kunnen bevatten voor ME/CVS. De voorlopige darmresultaten suggereren dat zij gelijk zou kunnen hebben

Ze vinden bewijs van significante veranderingen in de darmflora van ME/CVS-patiënten versus gezonde controles. Ten eerste zijn er veranderde gehaltes van butyraatproducerende bacteriën gevonden bij ME/CVS-patiënten. Opmerkend dat er vergelijkbare verschillen gevonden zijn in auto-immuunziekten, stelde Dr. Hornig dat mogelijk een auto-immuunproces bij een deel van de patiënten de symptomen voedt.

Een andere bevinding suggereert dat er aanzienlijke ontregeling van serotonine aanwezig kan zijn bij ME/CVS. (Het meeste serotonine in ons lichaam wordt in onze darmen aangetroffen). Dr. Hornig beschreef serotonine als een belangrijke immuunregulator. Tot nu toe hebben zij geconstateerd dat het waarschijnlijker is dat serotonine niet te traceren is bij patiënten met een korte ziekteduur dan bij patiënten met een lange ziekteduur, en die gereduceerde serotoninegehaltes worden in verband gebracht met verhoogde immuunactiviteit waaronder een zeer aanzienlijke stijging van IFN-Y – een belangrijke antivirale factor.

Tryptofaan wordt gemetaboliseerd tot ofwel serotonine ofwel kynurenine. Als het serotoninegehalte laag is, is het kynureninegehalte waarschijnlijk hoog. Overvloedig serotonine resulteert in gevoelens van welzijn, emotionele veerkracht, en immuunbalans. Hoge gehaltes kynurenine aan de andere kant worden in verband gebracht met een groot aantal neurologische en neuropsychiatrische stoornissen. Dr. Hornig heeft het kynurenine reactiepad haar favoriete reactiepad genoemd omdat het betrokken is bij zoveel ziekten.

De bevindingen van laag serotonine bij ME/CVS waren blijkbaar significant genoeg voor Columbia om te beginnen met het ontwikkelen van nieuwe testen om de aanwezigheid van kynureninemetabolieten accurater te onderzoeken. Het lijkt er op dat zij daarin succesvol zijn geweest en we kunnen meer fijn afgestemde analyses verwachten met betrekking tot de rol die reactiepaden spelen bij ME/CVS.

In de discussie na afloop van de presentatie zei Dr. Hornig dat ze een beetje worstelde hoe zij de ideeën van lage veerkracht t.a.v. stress bij ME/CVS kan doorgeven – waarin bij sommige ideeën een laag serotoninegehalte een rol kan spelen – zonder weerstand op te roepen. Zij pleit zeker niet voor het gebruik van SNRI’s [serotonine-en-noradrenaline-heropnameremmers] of andere antidepressiva bij ME/CVS. In feite gaf zij aan dat zij er zeker van was dat er ME/CVS-patiënten waren onder de patiënten met “behandelingsresistente depressie” die zij gezien heeft tijdens haar werk als psychiater in het begin van haar loopbaan.

De oplossing voor het serotonineprobleem – als het wordt bevestigd in een subgroep ME/CVS-patiënten – zal duidelijk vanuit een andere richting moeten komen. Een recent overzichtsartikel suggereerde dat op serotonine gebaseerde hersenaandoeningen via de darmflora beïnvloed kunnen worden en dat is waarschijnlijk het traject dat Dr. Hornig zal volgen. Ze zei dat ze in het bijzonder geïnteresseerd is in het bestuderen van de effecten van nutraceuticals, probiotica en faecale transplantaties bij ME/CVS.

Dr. Hornig is duidelijk intellectueel geprikkeld door haar werk, maar één ding dat gebeurde tijdens haar presentatie toonde haar sterke emotionele betrokkenheid daarmee ook. Het aanbieden van een kleine quilt aan haar van ME/CVS-patiënten raakte haar erg en ze moest zichzelf emotioneel even weer bij elkaar rapen. Het was een verrassend ontroerend moment.

Dr. Hornig klonk zelfverzekerd over de richting van hun onderzoek en stelde dat zij erg bezig waren om vooruit te kijken naar wat de komende jaren zullen brengen. Ze zei dat ze voorzichtig optimistisch was dat de IOM– en P2P-rapporten, de positieve immuunstudie, plus de tekenen dat het Nationale Instituut voor Neurologische Stoornissen en Beroerte (NINDS) geïnteresseerd zou zijn om ME/CVS op te pakken, aantonen dat een ommekeer voor financiering van ME/CVS op stapel staat.

Help Simmaron om dit belangrijke werk te kunnen blijven financieren, als we proberen om de immuunbevindingen bij ME/CVS verder uit te diepen en hen om te zetten in potentiële behandelingen.

© Simmaron Research. Vertaling Meintje, redactie Zuiderzon, ME-gids.

 

Eén reactie

  1. jammer dat er geen “doe suggesties voor dit project” button bij zit 😉
    aangezien serotonine niet door de bloed-brein-barrière kan lijkt het míj zinnig om die ook te bepalen in het hersenvocht en als ze dan toch bezig zijn ook meteen de hele neurotransmitter familie “maar dat is wat lastig” hoorde ik ooit van een neuro….

Geef een antwoord

Zijbalk

Volg ons
ma
di
wo
do
vr
za
zo
m
d
w
d
v
z
z
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
1
2
3
4
Geen Evenementen
Recente Links
Loading