Bron:

| 500 x gelezen

Interview met microbioloog Rogier Louwen en neurowetenschapper Michael VanElzakker over ME/CVS-onderzoek

Het is nog niet bekend waar de ernstige chronische ziekte ME/CVS door veroorzaakt wordt. Een nieuw onderzoeksprogramma van ZonMw moet hier verandering in gaan brengen en behandeling mogelijk maken. Neurowetenschapper Michael VanElzakker en microbioloog Rogier Louwen blikken vooruit op het programma en de mogelijkheden voor biomedisch onderzoek naar de ziekte.

Neurowetenschapper dr. Michael VanElzakker van de Harvard Medical School en dr. Rogier Louwen, universitair docent op de afdeling Medische Microbiologie en Infectieziekten van het Erasmus MC, doen beiden onderzoek naar ME/CVS. Zij gaan met elkaar in gesprek over de complexe puzzel die deze ziekte vormt en de rol die onderzoekers met verschillende expertises kunnen spelen in het nieuwe onderzoeksprogramma.

Rogier, wat dacht je toen je hoorde dat er in Nederland 28,5 miljoen euro beschikbaar zou komen voor onderzoek naar ME/CVS?

Rogier: ‘Daar was ik heel blij mee. Het is hard nodig voor deze ziekte. Er zijn behoorlijk wat mensen die te maken hebben met ME/CVS. Ik vind het heel goed dat de Nederlandse overheid nu biomedisch onderzoek gaat financieren om meer te leren over de ziekte.’

Michael: ‘Ik wist dat patiëntvertegenwoordigers in Nederland zich hier hard voor maakten. Maar toen ik hoorde dat het gelukt was, was ik toch verrast. Het is indrukwekkend hoe patiënten in Nederland hun stem laten horen. Ik hoop dat het nu eindelijk gaat lukken om systematisch onderzoek op te zetten, want zoiets is in de hele wereld nog niet gelukt. Dat zou het onderzoek naar ME/CVS enorm vooruit helpen.’

Jullie zijn persoonlijk gemotiveerd om iets te betekenen voor mensen met ME/CVS. Hoe is dat zo gekomen?

Rogier: ‘Mijn connectie met ME/CVS begon in de zomer van 2013 toen mijn vrouw een soort griep kreeg met hoge koorts. Ze herstelde, maar de klachten kwamen al snel terug en leken neurologisch van aard. Een paar maanden en veel onderzoeken later wisten we nog niet wat ze had. Ze probeerde door te gaan met het dagelijks leven, maar langzaam ging het steeds slechter. Na een jaar kon ze geen gewone wandeling meer maken en moest ze na inspanning in bed herstellen. Onze huisarts verwees ons toen door naar het CVS/ME Medisch Centrum in Amsterdam. Daar kreeg ze de diagnose. Ondertussen hadden we al uitgevonden dat carnitine en vitamine D gunstig waren voor een wat sneller herstel na inspanning. Nu werkt ze gelukkig weer 9 uur per week, terwijl ze eerst veel in bed lag en een rolstoel nodig had. De supplementen helpen haar goed, al wil ik benadrukken dat ze daardoor niet van de ziekte geneest. Ze moet nog steeds goed haar grenzen bewaken.’

Michael: ‘Het moet heel moeilijk zijn om zo te worstelen met deze ziekte. Jouw zoektocht naar antwoorden komt niet alleen voort uit nieuwsgierigheid, maar is ook heel persoonlijk.’  

Rogier: ‘Dat klopt. Veel patiënten met ME/CVS zijn er helaas nog slechter aan toe. Na wetenschappelijke verdieping bleek er nog veel onbekend te zijn en patiënten hebben last van een stigma. Gedurende deze deep dive in de literatuur en mijn persoonlijke ervaring met ME/CVS zag ik parallellen met het Guillain-Barré Syndroom waar ik in het verleden aan heb gewerkt. Dit is een neurologische ziekte waarbij het immuunsysteem de zenuwcellen aanvalt na een infectie. Een soort van auto-immuun reactie, waarvoor er nu ook aanwijzingen zijn bij ME/CVS. Zo raakte ik betrokken bij het onderzoek naar ME/CVS. Door deze aanwijzingen denk ik dat deze ziekte over de as van microbiologie, immunologie en neurologie loopt.’

Welke connectie heb jij met ME/CVS, Michael?

Michael: ‘Ik heb een connectie doordat een vriendin van mij, die ik ken van de middelbare school, ME/CVS heeft. Ik kreeg toevallig weer contact met haar via sociale media. Zij vertelde me dat ze tijdens haar rechtenstudie uitviel toen ze binnen een week ernstig ziek werd. Ze had hoge koorts en kon de trap niet meer oplopen. Eerder in haar studententijd heeft ze waterpokken gehad. Ik denk dat die twee met elkaar te maken hebben, ook al zat er tijd tussen. Die vriendin heeft ernstige klachten van ME/CVS en ligt daardoor veel in bed. Dat is heel moeilijk en dan is er in de maatschappij ook nog te weinig begrip voor. ME/CVS wordt hier in de Verenigde Staten ook wel “yuppiegriep” genoemd, dankzij een uitbraak in een toeristisch dorp. Dat was toevallig, maar het beeld is gebleven dat het alleen rijke, witte mensen treft die zich een beetje aanstellen. Ik had nooit gedacht deze ziekte te gaan onderzoeken, maar door de gesprekken met die vriendin raakte ik enorm gemotiveerd om de puzzelstukken bij elkaar te rapen en op zoek te gaan naar antwoorden.’

Welke bijdrage leveren jullie aan het onderzoek naar ME/CVS?

Michael: ‘Mijn groep doet onderzoek in een neuro-imaging laboratorium, dus met allerlei soorten hersenscans, zoals PET-scans, MRI-scans, MR Spectroscopie en EEG’s. Het punt met hersenonderzoek is dat je dingen pas ziet als ze er al zijn. Bij een autopsie kunnen we het weefsel rechtstreeks bestuderen, maar tijdens het leven is een scan de beste manier om het brein te onderzoeken. Met neuro-imaging zijn ontstekingen weliswaar vast te stellen, maar weten we niet waarom ze er zijn. Daarom werken we ook samen met onderzoekers die weefsel, bloed en speeksel onderzoeken. Met microbioloog Amy Proal en geneticus Kris Fobes ben ik een onderzoeksfonds gestart om onderzoekers met verschillende achtergronden aan te trekken. Zo kunnen we meer onderzoek doen naar de mechanismen van ziektes als ME/CVS. Anders blijven we hangen in verschillende theorieën die allemaal maar een deel van het probleem verklaren.

Ik denk niet dat de oorzaak van de klachten bij ME/CVS voor iedereen hetzelfde is. Het gaat erom dat het neuro-immuunsysteem waarschijnlijk door van alles getriggerd kan worden en dat dit vervolgens leidt tot hetzelfde ziektebeeld. Dat is frustrerend, want je wilt het liefst één oorzaak vinden en één behandeling. Helaas denk ik dat het daar niet op uit gaat draaien.’

Rogier: ‘Dat denk ik ook. Er zijn verschillende triggers bekend, zoals bepaalde virussen en bacteriën. We hebben hier in Nederland de Q-koortsepidemie gehad, wat vergelijkbare klachten gaf. Nu hebben we COVID-19, waarbij een paar procent van de patiënten klachten overhoudt die lijken op ME/CVS. Het is een heel complex ziektebeeld.’

Wat gaat jouw onderzoek bijdragen aan het oplossen van de puzzel, Rogier?

Rogier: ‘Ik ben naarstig op zoek naar verschillende ziekteverwekkers met behulp van de literatuur. Er zijn aanwijzingen voor een rol van retrovirussen, de groep virussen die hun erfelijk materiaal opgeslagen heeft in RNA, en daar raakt het aan het type onderzoek wat ik op dit moment doe. Ik zoek daarnaast ook naar ziekteverwekkers in bloedcellen. In deze cellen is ook iets gaande. Binnen het Erasmus MC bereiden we nu onderzoek voor om later dit jaar financiering aan te kunnen vragen. Dan kunnen we de rol van onder andere die ziekteverwekkers beter in kaart brengen.’

Hoe moet toekomstig onderzoek naar ME/CVS er volgens jullie uit gaan zien?

Michael: ‘Ik hoop dat er mogelijkheden komen, misschien wel in Nederland, om een gedetailleerde ziektegeschiedenis op te stellen en gegevens uit te wisselen tussen verschillende labs. We moeten het onderzoek op de individuele patiënt afstemmen. Misschien blijken er dan vervolgens patronen te zijn in verschillende groepen patiënten. Ik denk ook dat sommige ziekteverwekkers meer kans geven op langetermijngevolgen. Mijn droom is dat Nederland een soort pijplijn kan ontwikkelen, waarin patiënten uitgebreider onderzoek krijgen dan in hun eigen ziekenhuis.’    

Rogier: ‘Ik denk ook aan een twee-weg-benadering: het fundamentele onderzoek aan de universiteit en het onderzoek naar behandelingen waarbij we samenwerken met bijvoorbeeld privéklinieken en patiëntenorganisaties. Zo werken we bij het Erasmus MC al een beetje. Eerst proberen we voor elke individuele patiënt een goede behandeling te vinden. Na een tijdje kunnen we dan misschien groepen onderscheiden met dezelfde symptomen die baat hebben bij dezelfde behandeling. We hanteren ook een meer academische benadering waarin we onderzoeken of we direct groepen kunnen onderscheiden.’     

Michael: ‘Eigenlijk doen we dus hetzelfde. Een belangrijk punt is ook dat de statistische methodes die gebruikelijk zijn in hersenonderzoek niet helemaal voldoen. Daarbij worden vaak alle patiënten in één groep geplaatst en dan gekeken naar de activiteit van hersengebieden. Maar de kans bestaat dat je dan geen effecten vindt, omdat die verloren gaan in de variatie tussen patiënten. Daarom willen we proberen om subgroepen te onderscheiden. Het lijkt mij daarom leuk om samen te werken met onderzoekers in Nederland. Dit onderzoeksbudget kan een flinke stap voorwaarts betekenen, als het onderzoek op een slimme manier wordt opgezet.’

Rogier: ‘Al het advies is zeer welkom. Wie weet kunnen we inderdaad samenwerken.’

Op welke manier zouden jullie met elkaar en met andere onderzoekers kunnen samenwerken?

Michael: ‘Dat is een interessante vraag. Voor een hersenscan heb ik een patiënt in mijn lab nodig, maar bloed- en weefselmonsters kunnen we makkelijk versturen. Het zou heel waardevol zijn als we meerdere monsters van dezelfde patiënt kunnen uitwisselen tussen labs. We werken nu bijvoorbeeld ook samen met een onderzoeksgroep in Zuid-Afrika. Zij zoeken in het bloed naar micro-organismen, specifiek in fibrinogeen en fibrine. Zo kan het straks ook werken met lichaamsmateriaal van ME/CVS patiënten. Jullie zijn goed in onderzoek met CRISPR-Cas (de nieuwe techniek om erfelijk materiaal van virussen, bacteriën en cellen van planten en dieren zeer nauwkeurig en efficiënt te veranderen, red.), zij met bloedstolling, enzovoort. Op deze manier kunnen we hetzelfde lichaamsmateriaal gebruiken. Anders blijven we op eilandjes werken met onze eigen ideeën.’

Rogier: ‘Sommige patiënten zijn bedlegerig, dus die gaan niet zo makkelijk ergens naar toe voor onderzoek. Je kan dan inderdaad beter materiaal afnemen en dat op verschillende plekken met dezelfde methodes onderzoeken. We kunnen daarmee ook claims versterken. Als we in meerdere labs hetzelfde vinden, dan hebben we meer bewijs in handen. Bloed, urine en hersenvocht zijn relatief makkelijk te verplaatsen.’

Michael: ‘In de VS hebben we mobiele MRI-scanners die naar patiënten toe kunnen, die bedlegerig zijn. Er zijn dus zelfs mogelijkheden om die patiënten thuis te onderzoeken. En we zouden hun genetisch materiaal  kunnen verzamelen en opslaan voor verder onderzoek. Die groep is heel belangrijk, want zij hebben het meest last van de ziekte. En om de resultaten op elkaar aangesloten te krijgen, is het belangrijk dat methodes op een goede manier worden gebruikt. Mijn advies: roep de hulp in van collega’s die een techniek al meer hebben gebruikt voor hetzelfde type onderzoek of gebruik een techniek niet. Anders wordt het een rommeltje met minder optimale methodes en resultaten.’

Een deel van de patiënten met COVID-19 houdt ernstige vermoeidheidsklachten over aan hun besmetting. Biedt de coronapandemie kansen voor ME/CVS-onderzoek?

Michael: ‘Zeker, er komt meer aandacht voor ME/CVS-gerelateerde klachten, maar we zullen ook voorzichtig moeten zijn. Een gedeelte van de long-COVID-patiënten lijkt te herstellen door beweging. Mensen kunnen dan ten onrechte denken dat ME/CVS makkelijk te behandelen is door extra beweging. Sommige oude discussies over de behandeling van ME/CVS kunnen dus weer oplaaien. Daar moeten we voor waken.’ 

Wat willen jullie onderzoekers met interesse in ME/CVS nog meegeven?

Rogier: ‘Ik heb gemerkt dat lang niet alle onderzoekers de ziekte kennen, maar ze hebben dan wel van het stigma gehoord. Als ik meer met hen in gesprek ga, dan merk ik veel belangstelling. Het is een slopende ziekte, maar wetenschappelijk gezien heel interessant. Het brengt namelijk meerdere onderzoeksgebieden samen en dat is ontzettend leuk. Dit is misschien wel één van de laatste ernstige ziektes waarvoor een goede wetenschappelijke uitleg al heel lang ontbreekt. Patiënten kunnen niet wachten tot we die gevonden hebben. Ik hoop daarom dat veel onderzoekers zich aansluiten bij het nieuwe programma!’

CV

Dr. Michael VanElzakker is neurowetenschapper aan de Harvard Medical School en Tufts University, nabij Boston (VS). Hij bestudeert de hersenen van ME/CVS-patiënten via hersenscans. Zijn interesse ligt bij afwijkende patronen in de stofwisseling en in ontstekingsreacties. Zijn PhD behaalde hij in 2015, eveneens aan de Tufts University. Sindsdien probeert hij de onderliggende processen in het brein te ontrafelen bij PTSS (posttraumatische stressstoornis) en ME/CVS. Hij onderzoekt onder andere de rol van de nervus vagus (de zenuwbaan tussen de darmen en hersenen) onder invloed van een immuunreactie na een infectie.

Dr. Rogier Louwen is universitair docent op de afdeling Medische Microbiologie en Infectieziekten van het Erasmus MC. Hij houdt zich bezig met CRISPR-Cas, de nieuwe technologie die het mogelijk maakt om erfelijk materiaal van virussen, bacteriën en cellen van planten en dieren zeer nauwkeurig en efficiënt te veranderen. Met behulp van een nieuwe CRISPR-techniek probeert hij onder andere de ziekteontwikkeling bij ME/CVS in kaart te brengen. Op dit moment bouwt Louwen zijn eigen onderzoeksgroep verder uit. Ook heeft hij goed contact met de verschillende ME/CVS-patiëntorganisaties.

Tekst: Pauline van Schayck

© ZonMW, 5 juli 2021.

Op 7 oktober 2021 organiseert ZonMw een netwerkbijeenkomst voor onderzoekers, patiënten en anderen die interesse hebben in het nieuwe onderzoeksprogramma ME/CVS. Voor meer informatie en aanmelden kunt u terecht op de website van ZonMW.

Geef een antwoord

Zijbalk

Volg ons
<< sep 2021 >>
mdwdvzz
30 31 1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 1 2 3
Datum/Tijd Evenement
07/10/2021
14:30 - 17:00
Netwerkbijeenkomst onderzoeksprogramma ME/CVS (ZonMW)
Muntgebouw Utrecht, Utrecht
Recente Links