
23 juli 2026.
Het is verfrissend om een studie te lezen over een revalidatie-interventie voor ME/cvs, long covid of zogenaamde “medisch onverklaarde symptomen” die erkent dat er geen significante voordelen zijn. Dit is een zeldzaamheid. In veel gevallen leveren de onderzochte interventies slechts marginaal positieve resultaten op in subjectieve metingen, die vervolgens worden gepresenteerd als bewijs voor de effectiviteit van de aanpak. Gezien het feit dat studies over het algemeen zeer gevoelig zijn voor vertekening, ondersteunen deze magere bevindingen in feite de tegenovergestelde interpretatie: dat de interventies grotendeels ineffectief zijn.
Dat is wat er gebeurde met een recent gepubliceerd onderzoek naar cognitieve gedragstherapie (CGT) voor de behandeling van long covid.* [*Ik schreef aanvankelijk ten onrechte dat dit eerdere onderzoek ME/cvs betrof in plaats van long covid.] Het onderzoek toonde zeer bescheiden voordelen van de interventie na drie maanden, direct na afloop van de therapie. Deze voordelen waren echter verdwenen bij de follow-up na zes maanden. De onderzoekers presenteerden de interventie echter als veelbelovend en pleitten voor grotere klinische onderzoeken. (Ik heb hier commentaar gegeven op het onderzoek.)
Het nieuwe, eerlijkere artikel draagt de titel “Evaluatie van een geïntegreerd multidisciplinair zorgmodel voor myalgische encefalomyelitis/chronischevermoeidheidssyndroom: een prospectieve, open-label, niet-gerandomiseerde gecontroleerde interventiestudie”. Het is als preprint gepubliceerd en is nog niet door vakgenoten beoordeeld.
Hier is de duidelijke conclusie van de samenvatting:
“Het geïntegreerde multidisciplinaire zorgmodel was haalbaar en ging gepaard met een hoge therapietrouw, maar leidde niet tot verbetering van het fysieke functioneren of belangrijke secundaire uitkomsten na 12 maanden. De huidige revalidatie- en behandelingsstrategieën zijn mogelijk onvoldoende om het ziekteverloop te beïnvloeden, wat de noodzaak onderstreept voor effectievere, ziektebeïnvloedende therapeutische interventies.”
In tegenstelling tot de meeste van dit soort onderzoeken, werd deze studie uitgevoerd door experts die ME/cvs serieus nemen als een biomedische aandoening. Het onderzoek vond plaats in het Vermoeidheidscentrum van Charité, een belangrijk academisch ziekenhuis in Berlijn, en Carmen Scheibebogen, een van de vele coauteurs, is een vooraanstaand onderzoeker op het gebied van ME/cvs en long covid. Volgens de studie “suggereert steeds meer bewijs dat ME/cvs wordt veroorzaakt door immuunontregeling, waaronder autoantilichaam-gemedieerde mechanismen en laaggradige ontsteking, evenals autonome en endotheliale disfunctie.”
De interventie was niet gebaseerd op – of lijkt in ieder geval niet gebaseerd te zijn op – de biopsychosociale stelling dat de symptomen in stand worden gehouden door een combinatie van ‘onbehulpzame overtuigingen’ over het hebben van een biomedische ziekte en de deconditionering veroorzaakt door een zittende levensstijl. Voor zover ik kon nagaan, bevorderde de interventie geen geleidelijke toename van activiteit. (Details over de interventie zouden in een appendix staan, maar deze appendix leek niet in de preprint te zijn opgenomen.)
Volgens het artikel: “We hebben een geïntegreerde, multidisciplinaire zorgbenadering voor patiënten met ME/cvs uitgevoerd en geëvalueerd. Deze benadering combineert specialistische diagnostische beoordeling met symptomatische therapie, waaronder patiënteneducatie, fysio/kinesitherapie, ontspanningsoefeningen en medicamenteuze behandeling… en wordt aangeboden in een gespecialiseerde polikliniek voor ME/cvs en een revalidatiecentrum voor opgenomen patiënten.”
De interventie, zo merkten de onderzoekers op, “was specifiek afgestemd op de behoeften van ME/cvs-patiënten, een aanpak die doorgaans niet wordt toegepast in standaardrevalidatieprogramma’s.” Een van de uitgangspunten voor het onderzoek was dat Duitse zorgverzekeraars vaak eisen dat mensen met ME/cvs die een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvragen, een vorm van revalidatieprogramma volgen.
De primaire uitkomstmaat was de zelfgerapporteerde fysieke functie na 12 maanden, gemeten met een standaardvragenlijst genaamd de SF-36. Secundaire uitkomstmaten waren onder andere vermoeidheid, beperkingen, gezondheidsgerelateerde levenskwaliteit, autonome symptomen, slaperigheid overdag, handgreepkracht, fysieke activiteit, ziekteverlof en zorgkosten.
Dit was geen klinische studie; de deelnemers werden niet willekeurig toegewezen. Ze kregen de interventie aangeboden als hun verzekering deze dekte. De anderen ontvingen een eenmalig poliklinisch consult en een medisch rapport voor hun huisarts. Uiteindelijk werden 97 deelnemers toegewezen aan de interventie en 100 niet. Er leverden echter slechts 89 en 93 deelnemers respectievelijk gegevens aan voor de primaire uitkomstmaat op het meetmoment na 12 maanden.
De studie was niet geblindeerd – uiteraard wist iedereen of ze de interventie wel of niet kregen – en was gebaseerd op subjectieve metingen. Dit onderzoeksontwerp is een recept voor een onbekende mate van vertekening. Daarom zou het niet verrassend zijn geweest als de onderzoekers marginaal positieve resultaten voor de interventie hadden gerapporteerd, zoals in veel andere studies is gebeurd. Maar dat was hier niet het geval.
Na 12 maanden presteerde de interventiegroep zelfs iets slechter dan de controlegroep op de SF-36, hoewel het verschil niet statistisch of klinisch significant was. De algehele resultaten voor de secundaire meetinstrumenten waren eveneens teleurstellend. Op de Bell Disability Scale, een meetinstrument dat vaak wordt gebruikt om mensen met ME/cvs te beoordelen, verslechterde de situatie bij 42 van de 94 patiënten die de interventie ondergingen, oftewel 45%. Slechts 13, oftewel 14%, verbeterden op de schaal. Aan de andere kant gaven deelnemers, ondanks deze negatieve resultaten, aan dat de interventie hen hielp om “beter met de ziekte om te gaan in het dagelijks leven”, aldus het onderzoek.
In plaats van deze resultaten te verbloemen en te pleiten voor meer onderzoek in dezelfde richting, wezen de onderzoekers erop dat hun bevindingen “overeenkomen met de aanbevelingen van experts, waarbij de nadruk ligt op symptomatische therapie en ziektestabilisatie in plaats van herstel als realistisch doel.” En ze verzetten zich tegen de gehele revalidatieaanpak:
“Onze bevindingen zetten vraagtekens bij de klinische waarde van de huidige revalidatie bij ME/cvs, zelfs wanneer deze specifiek is aangepast aan de ziekte… Deze bevindingen hebben belangrijke implicaties voor de klinische praktijk en het gezondheidsbeleid, met name in situaties waar deelname aan revalidatie gekoppeld is aan sociale voorzieningen of uitkeringen voor mensen met een beperking. Onze gegevens suggereren dat dergelijke vereisten zorgvuldig heroverwogen moeten worden om mogelijke schade en onnodige belasting voor patiënten te voorkomen. Over het geheel genomen onderstrepen deze resultaten de dringende behoefte aan op mechanismen gebaseerde therapeutische benaderingen en goed gecontroleerde klinische studies gericht op de ontwikkeling van ziekteveranderende behandelingen voor ME/cvs.”
© David Tuller voor Virology Blog. Vertaling admin, redactie NAHdine, ME-gids.