Bron:

| 2187 x gelezen

Afgelopen jaar zijn er in De Kamer verschillende vragen over CVS gesteld. Hoewel ze al een eindje geleden zijn, willen we ze u niet onthouden zodat u op de hoogte bent wat er zich op politiek niveau afspeelt.

Nahima Lanjri (CD&V) was mede-auteur van het voorstel van een CVS-resolutie van CD&V die door de Wake Up Call Beweging als waardeloos beoordeeld werd. In De Kamer stelde ze een vraag over CVS en cognitieve gedragstherapie voor nog meer (andere?) gedragstherapie. Het antwoord van huidige Minister van Volksgezondheid Maggie De Block (jarenlang praktiserend huisarts geweest) toont evenzeer weinig kennis over de zaak. Ze komt niet verder dan de mythe in stand te houden dat CGT en GET evidence based zijn en maakt zich sterk door te vergelijken met internationale richtlijnen zoals de fel gecontesteerde NICE. Voor alle duidelijkheid, gedragstherapie en graduele oefentherapie zijn niet effectief voor CVS en ME.

Maya Detiège (sp.a) stelde Maggie De Block een vraag over de open brief van de universiteiten (i.e. referentiecentra) met een pleidooi voor meer wetenschappelijk onderzoek naar CVS/ME (lees ook de reactie van de WUCB hierop). Daarvoor verwijst de Minister door naar de staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid en wijst ze op het zorgplan voor chronisch zieken volgens het biopsychosociaal model.

Anne Dedry (Groen) die steeds in de zorgsector gewerkt heeft, komt goed beslagen ten ijs en stelt een vraag over het onderzoek naar CVS en merkt terecht op dat het biomedisch model hier onderbelicht is. De Minister komt nog eens af met CGT en GET en CVS als uitsluitingsdiagnose, maar erkent gelukkig dat er meer onderzoek nodig is, echter neemt ze hierin een afwachtende houding aan.

Wij nodigen de politici uit om zich te abonneren op onze RSS-feed of ons Twitterkanaal om steeds op de hoogte te blijven van het laatste (wetenschappelijke) nieuws omtrent ME en CVS.


http://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=inqo&language=nl&cfm=inqoXml.cfm?db=INQO&legislat=54&dossierID=Q5400361

Vraag van Nahima Lanjri (CD&V) over CVS en cognitieve gedragstherapie

Nahima Lanjri © Twitter

Mondelinge vraag Nr : V5400361 – Zitting 54 – Datum bespreking 26 november 2014 [PDF]

Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “CVS en cognitieve gedragstherapie” (nr. 361)

Nahima Lanjri (CD&V): Mevrouw de minister, in het nieuwe beleid met betrekking tot de behandeling van CVS-patiënten verwijzen diagnosecentra bepaalde patiënten door naar cognitieve gedragstherapeuten. Deze therapeuten dienen vooraf erkend te zijn door het RIZIV volgens overeenkomsten opgestart op 1 september 2014. Alle informatie staat op de website van het RIZIV, maar men moet van het RIZIV eerst wel een erkenning krijgen. Daardoor kan de patiënt maximum zeventien individuele sessies terugbetaald krijgen. Andere bestaande therapieën met soms opleidingen tot vier of vijf jaar, bijvoorbeeld systeemtherapie of gezinstherapie, worden niet door het RIZIV erkend, en kunnen niet terugbetaald worden in het kader van de behandeling van bijvoorbeeld CVS.

Vanuit medisch-wetenschappelijk oogpunt blijft men de cognitieve gedragstherapie als voorkeursbehandeling zien, omdat er momenteel geen bewijzen zijn dat andere therapieën of stromingen even goed of eventueel beter zijn. Er zijn evenwel weinig mogelijkheden om therapieën met elkaar te vergelijken. Zowel voor de patiënt als voor de overheid is het belangrijk om de meest outcome-basedbehandeling te bekijken, niet enkel de evidence-basedbehandeling, om de behandeling te laten terugbetalen, met oog voor de vraag wat het meeste effect heeft. Dit is tijdbesparend voor de patiënt en kostenbesparend voor de overheid. Zo blijkt bijvoorbeeld dat drie tot vier sessies van de oplossingsgerichte cognitieve systeemtheorie volstaan.

Uit recent Amerikaans onderzoek van Barry Duncan blijkt trouwens dat slechts een beperkt gedeelte wordt bepaald door de therapie zelf en dat heel veel andere factoren een rol spelen bij het succes van de behandeling. Vijftien procent van het succes van een behandeling heeft te maken met de therapie of de methodiek die men gebruikt, 40 % met eigenschappen van de patiënt en 30 % met de relatie tussen de arts of therapeut en de patiënt. Men zou een beperkt pilootproject kunnen starten voor CVS-patiënten die behandeld worden met een andere, niet-cognitieve gedragstherapie. Dit kan misschien interessante resultaten opleveren. Ik zeg niet dat het zo zal zijn, het kan. Vandaag worden enkel de cognitieve gedragstherapieën erkend door het RIZIV en het is belangrijk om na te gaan of de andere therapieën voldoende resultaten opleveren.

Bent u bereid om een proefproject op te starten waarbij CVS-patiënten doorverwezen worden naar bijvoorbeeld cognitieve systeemtherapeuten in plaats van enkel naar gedragstherapeuten, zodat een vergelijking kan gebeuren op het vlak van de resultaten, de efficiëntie en de behandeling? Zo kunnen achteraf beleidskeuzes worden gemaakt.

Wanneer zal de werking van de diagnosecentra en de effectiviteit van de behandeling op individuele basis door cognitieve gedragstherapeuten worden geëvalueerd? Dat staat immers ook in het regeerakkoord.

Kunnen, op basis van de resultaten van de evaluatie, de RIZIV-overeenkomsten bijvoorbeeld worden uitgebreid met of vervangen worden door andere therapievormen?

Minister Maggie De Block: Mevrouw Lanjri, het budget van de verplichte ziekteverzekering kan niet worden gebruikt ter realisatie van proefprojecten om na te gaan of een bepaalde behandeling al dan niet werkt voor een bepaalde aandoening. Het is nodig dat er vooraf al voldoende wetenschappelijk onderzoek is gedaan.

Voor cognitieve gedragstherapie als behandeling van CVS is dat het geval. Het gunstig effect van deze behandeling op CVS is herhaaldelijk aangetoond in hoogstaand wetenschappelijk onderzoek waarbij grote aantallen CVS-patiënten zijn behandeld met de cognitieve gedragstherapie. Dat blijkt uit rapporten en aanbevelingen van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, zoals het rapport 88A, en van vergelijkbare internationale instanties, zoals het National Institute for Health and Care Excellence en het Centraal Begeleidingsorgaan NE 2013. Het is dus verdedigbaar dat deze specifieke behandelingsvorm ook wordt terugbetaald. Hetzelfde geldt voor graduele oefentherapie.

De behandeling die u aanbrengt, oplossingsgerichte cognitieve systeemtherapie, wordt niet aanbevolen door voormelde instanties als behandeling voor CVS. Dat geldt echter wel voor de twee andere vermelde therapieën. Ik leid daaruit af dat er weinig specifiek onderzoek bestaat naar de behandeling van CVS met oplossingsgerichte cognitieve systeemtherapie.

Volgens de evidence-basednormen dient een behandeling echter te zijn getest bij een groot aantal patiënten in het kader van een gerandomiseerd en gecontroleerd experiment. Men kan twee groepen dus niet met elkaar vergelijken. Evidence-based wordt bewezen door dubbelbind, gerandomiseerd onderzoek in een grote groep, waarbij een deel wordt behandeld met een placebo en een ander deel met de therapie. Vervolgens meet men of er een evidence-based effect is.

U stelt ook dat de slaagkansen van psychotherapeutische behandelingen in belangrijke mate worden bepaald door andere eigenschappen eigen aan de patiënt en eventueel door de relatie tussen patiënt en therapeut. Dat is ook zo. In de CVS-overeenkomst die het RIZIV heeft opgesteld, wordt hiermee wel degelijk rekening gehouden. Zo is er een specifieke opdracht voor de gespecialiseerde centra om voor de patiënt een therapeut te zoeken waarmee hij een volledige overeenstemming kan bereiken. Het moet dus klikken tussen de patiënt en de therapeut, ander komt men nergens. Dat is ook nodig omdat er een zekere vertrouwensrelatie moet worden opgebouwd. Men kan natuurlijk niet altijd vanaf de eerste dag vaststellen of het klikt. Er is dus in voorzien dat de patiënt van therapeut kan veranderen zonder daardoor vergoedbare sessies te verliezen.

De onderzoeksbevindingen waarnaar u verwijst zijn wat ze zijn. Ze kunnen echter geen vrijgeleide vormen om eender welke behandeling toe te laten. Rekening houdend met het voorgaande zijn er momenteel onvoldoende elementen en argumenten om in het raam van de verplichte ziekteverzekering nog een proefproject te ontwikkelen waarbij ook oplossingsgerichte cognitieve systeemtherapie of andere onvoldoende gevalideerde therapieën worden aangeboden.

De nieuwe CVS-overeenkomst staat momenteel ter discussie. Over enkele weken zal er duidelijkheid moeten komen over de voortzetting van deze overeenkomst. Indien ze voortgezet wordt, is alvast gepland dat de uitvoering ervan tussentijds en finaal grondig geëvalueerd zal worden. Dat geldt ook voor het luik cognitieve gedragstherapie.

Momenteel wordt de CVS-problematiek eigenlijk met open vizier bekeken door mijn beleidscel en het RIZIV. Dat betekent echter niet dat als de overeenkomst zou worden stopgezet, het budget voor deze overeenkomst kan worden gebruikt om andere behandelingen terug te betalen indien het effect ervan nog onvoldoende werd aangetoond, of dat het kan worden besteed aan activiteiten die eigenlijk meer thuishoren bij het wetenschappelijk onderzoek.

Het is dus een belangrijk moment waarop we de vroegere behandelingen inzake CVS moeten evalueren. We moeten bekijken met welke behandelingen we doorgaan, welke er resultaat opleveren en welke niet. Misschien moeten we het eens over een andere boeg gooien. Een zaak is echter zeker: als er iets anders wordt overwogen, dan moet het in elk geval een methode zijn die evidence-based haar werkzaamheid heeft aangetoond. Het is dan niet aan ons om dit met proefprojecten verder te gaan onderzoeken. Het moet eerst wetenschappelijk bewezen zijn, anders kunnen wij er niets mee doen.

20.03 Nahima Lanjri (CD&V): Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik begrijp dat u zegt dat dergelijke proefprojecten binnen de middelen van het RIZIV niet opgezet kunnen worden.

Waarschijnlijk zijn er daartoe wel andere mogelijkheden.

U zegt dat het resultaat wetenschappelijk bewezen moet zijn. Daar heb ik wel oor naar, maar ik wil wel een nuance aanbrengen. Ook naar mijn oordeel moeten de resultaten van therapieën wetenschappelijk aangetoond worden. Het is echter wel belangrijk om de andere therapieën ook op een of andere manier uit te testen, zodat ze een kans krijgen. De resultaten van de tests zullen aangeven of die therapieën al dan niet effectief zijn.

Ik verneem dat zulke onderzoeken soms ook gebeuren in een setting met een patiënt zonder rekening te houden met diens kenmerken, waardoor het bijna een soort van ideale patiënt is. Tests op zulke patiënten leveren dan ook alleen resultaten op voor mensen met dat specifiek, zeer geïsoleerd probleem, terwijl mensen ingewikkeld in elkaar zitten en vaak ook meerdere problemen hebben. De test zou daarom uitgevoerd moeten kunnen worden met patiënten die naast de problematiek van CVS ook andere problemen hebben.

Ik begrijp absoluut uw bezorgdheid als u zegt dat dit niet zomaar uit de losse pols mag gebeuren, dat de resultaten wetenschappelijk aangetoond moeten worden of dat uit de praktijk moet blijken dat de

behandeling goed is. Daarom stel ik voor om met een open vizier te kijken naar de therapieën die kunnen helpen. Ik beweer niet dat de huidige therapie niet goed zou zijn, maar de vraag luidt of andere therapieën niet minstens even goed zijn, zo niet zelfs beter. Uit de praktijk blijkt namelijk dat patiënten soms met drie of vier van dergelijke behandelingen volstaan.

Ik wil er dus toe oproepen, zelfs als u zegt dat dit wetenschappelijk onderzocht moet worden, om de andere therapievormen ook kansen te geven, om te bewijzen dat zij voldoende effectief zijn.

© De Kamer


http://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=inqo&language=nl&cfm=inqoXml.cfm?db=INQO&legislat=54&dossierID=Q5401874

Vraag van Maya Detiège (sp.a) over de open brief van de universiteiten over CVS/ME

Maya Detiège © Facebook

Mondelinge vraag nr. V5401874 – zittingsperiode 54 – Datum bespreking 4 maart 2015 [PDF

Vraag van mevrouw Maya Detiège (sp.a) aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de open brief van de universiteiten over CVS/ME”

Samengevoegde vragen van

  • mevrouw Maya Detiège aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de opvolging van de resolutie van een betere behandeling van de fibromyalgiepatiënten” (nr. 1837)
  • mevrouw Maya Detiège aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de open brief van de universiteiten over CVS/ME” (nr. 1874)

Maya Detiège (sp.a): Mevrouw de minister, wij hebben tijdens de vorige legislatuur een aantal initiatieven genomen, waaronder de goedkeuring in 2011 van een resolutie over de erkenning van het fybromyalgiesyndroom en een betere, alomvattende behandeling van de fybromyalgiepatiënt.

Die resolutie was het resultaat van een rondetafelconferentie met een aantal collega’s-Parlementsleden. Ik denk zelfs met u, mevrouw de minister. De resolutie vroeg de regering om een aantal belangrijke maatregelen te nemen voor de patiënten. Tweeënhalf procent van de Belgische bevolking wordt immers getroffen door het fybromyalgiesyndroom. Jammer genoeg ontwikkelen steeds meer jongeren de ziekte. Zorgwekkend en problematisch is dat de ziekte vooralsnog wordt miskend. Een duidelijke oorzaak voor de aandoening heeft men nog niet kunnen achterhalen, maar de symptomen zijn duidelijk: een verhoogde spierspanning, een tekort aan voedingsstoffen en enzymen, een verlaging van 30 % van de hoeveelheid groeihormonen, psychologische factoren, infecties, zuurstoftekort, slaaptekort, voedingsallergieën enzovoort.

De aandoening leidt vaak tot beroepsverlies en sociaal isolement, ondanks het feit dat heel wat van die patiënten graag wil werken.

Mevrouw de minister, ik wil een aantal vragen herhalen die we toen samen met een aantal Parlementsleden stelden in de resolutie.

Hoever staat het met de studie over de behandeling van chronische pijn? Werd die al gepubliceerd? Wat zijn de aanbevelingen? Werden de aanbevelingen geïmplementeerd?

Hoever staat het met het programma “Voorrang aan de chronisch zieken”? Zijn er daar vorderingen? Is het systeem al verbeterd? Is dat nog steeds in gebruik? Zijn artsen en/of specialisten al geëvolueerd in hun omgang met patiënten die lijden aan fybromyalgie? Kunnen we hier good practices vinden die we ook bij andere chronische ziekten kunnen toepassen?

Hoever staat het met de campagne rond fybromyalgie bij de experts? Wordt hieraan meer aandacht besteed? Wordt de kennis ook meegegeven aan de controleartsen van ziekenfondsen en het RIZIV, die de patiënten moeten screenen inzake hun capaciteiten om al dan niet te werken?

Minister Maggie De Block: Mevrouw Detiège, ik heb inderdaad met veel belangstelling kennisgenomen van de open brief van de universiteiten over CVS of, anders genoemd, myalgische encefalomyelitis. Die open brief bepleit vooral de noodzaak aan wetenschappelijk onderzoek rond CVS of myalgische encefalomyelitis en dat is natuurlijk de bevoegdheid van de staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, de diverse ministers van Onderwijs en de universiteiten zelf.

CVS en ook fibromyalgie zijn volgens verschillende metastudies nog onvoldoende bekende aandoeningen en daardoor bestaan er verschillende opvattingen over de oorzaak, de aard en de behandeling van de aandoeningen. Er is dus nog veel nood aan wetenschappelijk onderzoek dat de etiologie van die ziekten uitklaart en dat ten grondslag ligt van een nieuwe en betere curatieve behandeling. Het is niet alleen een onderzoeksdomein voor de Belgische universiteiten, maar ook onderzoekers in het buitenland zijn daarmee bezig.

Desondanks bestaan in ons land reeds vele jaren gunstigere terugbetalingsmodaliteiten voor kinesitherapie, vanwege het gunstig effect van graduele oefentherapie bij een deel van de CVS-patiënten. Ook cognitieve gedragstherapie is voor bepaalde CVS-patiënten om die reden jarenlang terugbetaald geweest via de vroegere CVS-referentiecentra. Via de nieuwe diagnostische centra voor CVS zou de cognitieve gedragstherapie normaliter opnieuw kunnen worden terugbetaald.

Daarnaast realiseerde het plan “Voorrang aan de chronisch zieken” doelstellingen die ook de patiënten met CVS en fibromyalgie ten goede zouden kunnen komen. Ik denk hierbij in het bijzonder aan de overeenkomsten voor de multidisciplinaire centra voor chronischepijnbestrijding, gerealiseerd op 1 juni 2013. Het rapport “Tenlasteneming van de chronischepijnpatiënt, verleden, heden en toekomst” stelt de krachtlijnen voor de evaluatie en opvang van chronische pijn op basis van een biopsychosociaal model voor. Het rapport is een referentiewerk voor zorgverleners die met pijnpatiënten worden geconfronteerd. Het verduidelijkt ook de knelpunten in verband met de opleiding en de vorming. Ik nodig de betrokken Gemeenschappen ook uit om die leemten in te vullen.

Op het ogenblik bestaan er geen formele richtlijnen voor de adviserend geneesheren voor de opvang van CVS- en fibromyalgiepatiënten, maar zij kunnen ook een beroep doen op de handleiding ter evaluatie van de arbeidsongeschiktheid bij die aandoening.

Bij de Technische Geneeskundige Raad en de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV werd ook een werkgroep opgericht om richtlijnen te bepalen voor onder meer CVS en fibromyalgie. Een ontwerptekst wordt voorgesteld op de volgende voltallige zitting van de Technische Geneeskundige Raad begin maart 2015.

Als de Technische Geneeskundige Raad die leidraad goedkeurt, wordt die vervolgens aan de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit voorgesteld en daarna aan de beide beheerscomités van de Dienst voor uitkeringen en de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV. Het RIZIV zal daarna een communicatieplan uitwerken.

Tot slot wens ik een aantal maatregelen te nemen die alle patiënten met een ernstige chronische aandoening ten goede komen. In november 2013 kwam tijdens de nationale conferentie het plan “Zorg voor de chronische zieken” tot stand. Op het moment zetten de verschillende administraties de aanbevelingen die de chronische patiënt beter moeten omkaderen, in concrete maatregelen om. Dat geldt ook voor CVS- en fibromyalgiepatienten.

Maya Detiège (sp.a): Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik heb het gevoel dat u de chronische patiënten ernstig neemt, een groep die al jaren in de kou blijft. Dit was ook de hoofdboodschap in het Parlement, om ook naar die patiënten te luisteren.

Er komt over enkele weken een discussie over de aanbevelingen inzake chronische vermoeidheid. Ik vermoed dat wij daar meer interactie kunnen hebben en een en ander op elkaar kunnen afstemmen.

Minister Maggie De Block: Ik krijg veel vragen over CVS, fibromyalgie, chronische vermoeidheid, lyme en chronische lyme. Ik zou dat graag uit elkaar halen. Dat zijn allemaal verschillende aandoeningen. Het evidence based onderzoek is zeer verscheiden.

Wij moeten met het oog op de patiënten vermijden dat wij alles op één tafel gooien, want dat komt hun niet ten goede. De meeste patiënten doen er heel lang over om hun diagnose te kennen. Dan begint de strijd pas.

Het is beter om aan de patiënt toe te geven dat men de aard van de aandoening nog niet kent, maar dat men zoekende is. Zeg niet dat het misschien de ziekte van Lyme, misschien CVS of misschien fibromyalgie is. Dan is de patiënt immers helemaal het noorden kwijt en wordt hij echt van het kastje naar de muur gestuurd.

Maya Detiège (sp.a): Mevrouw de minister, ik kan u geruststellen, want de opsplitsing is al enkele jaren geleden gebeurd. Toen we in 2011 zijn gestart met de discussie rond fibromyalgie, CVS en later ook de ziekte van Lyme, hebben wij doelbewust voor de opsplitsing gekozen. CVS-patiënten kunnen immers aan fibromyalgie lijden, maar het is wel een andere aandoening. Om die reden hebben wij altijd aparte resoluties opgemaakt. Vandaag doe ik de opsplitsing opnieuw.

Wij zullen nog debatten voeren over chronische aandoeningen. Kenmerkend is wel dat patiënten het heel moeilijk hebben, omdat zij niet au sérieux worden genomen. In die zin zijn fibromyalgie, CVS en de ziekte van Lyme spijtig genoeg wel gelijk aan elkaar. Ik dank u alleszins voor uw antwoord.

De voorzitter: Vanaf volgende week kunnen we ons buigen over de voorstellen van resolutie betreffende het chronischevermoeideidssyndroom, die we als prioritair hebben aangemerkt.

© De Kamer


http://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=inqo&language=nl&cfm=inqoXml.cfm?db=INQO&legislat=54&dossierID=Q5402551

Vraag van Anne Dedry (Ecolo-Groen) in De Kamer over het onderzoek naar CVS

Anne Dedry © Twitter

Mondelinge vraag nr. V5402551 – zittingsperiode 54 – publicatiedatum 10 maart 2015

Vraag van mevrouw Anne Dedry (Ecolo-Groen) aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het onderzoek naar CVS” (nr. 2251) [PDF]

Anne Dedry (Ecolo-Groen): Mevrouw de voorzitter, mevrouw de minister, deze vraag komt goed gelegen vermits wij deze namiddag in deze commissie een aantal resoluties ter zake zullen bespreken.

Uw partijgenoot, Nele Lijnen houdt in haar resolutie een pleidooi voor meer wetenschappelijk onderzoek naar het biomedisch model en stelt zich kritisch op tegenover de huidige, louter psychosociale benadering. Zij stelt ook voor dat het KCE dit in een studie verder wetenschappelijk zou uitspitten.

Ik heb die resolutie met veel belangstelling gelezen, net als de andere trouwens. Een studie vind ik een goed idee. Anders dan in de Verenigde Staten, Canada of Noorwegen is het biomedisch model bij ons immers nog zeer weinig bestudeerd, in tegenstelling tot het psychosomatisch of biosociaal model, dat op dit moment in Leuven en Gent als standaardbehandeling dient.

U hebt in antwoord op eerdere vragen gezegd dat het goed is niet alle chronische ziekten op een hoop te gooien maar ze duidelijk apart te houden. Daarover ben ik het u eens. Mij interesseert wel, zeker met het oog op de besprekingen van deze namiddag, wat uw standpunt als minister is over CVS en omtrent de verschillen de resoluties, waarvan u wellicht op de hoogte bent.

De patiëntenverenigingen vragen uitdrukkelijk om gehoord te worden.

Zit u met hen rond te tafel?

Zult u maatregelen nemen om zorgverstrekkers in de eerste lijn beter te informeren? Zult u artsen bijvoorbeeld een opleiding aanbieden, zoals in Noorwegen gebeurt?

Bent u bereid stappen te zetten om CVS-patiënten een beter statuut te geven? Met andere woorden, wat is uw tijdpad en wat zijn uw prioriteiten ter zake?

08.02 Minister Maggie De Block: Mevrouw de voorzitter, mevrouw Dedry, CVS en fibromyalgie zijn volgens verschillende metastudies aandoeningen die nog onvoldoende gekend zijn.

Gezien het grote aantal patiënten die aan deze aandoening lijden en de gevolgen daarvan voor hun fysiek en sociaal functioneren, is het RIZIV in principe bereid om voor deze patiënten bovenop de gewone terugbetalingen de specifieke behandelingen terug te betalen, waarvan het gunstige effect voldoende bewezen is. Hierbij heeft het RIZIV zich steeds gebaseerd op onafhankelijke adviezen van de experts van de Hoge Gezondheidsraad en van het Federaal Kenniscentrum voor Gezondheidszorg om vast te stellen voor welke behandelingen dit geldt. Er wordt trouwens ook gekeken naar wat de aanbevelingen zijn van andere, soortgelijke buitenlandse instanties.

De voorbije jaren werd gewerkt aan een nieuw concept van diagnostische centra voor CVS. Het kader is sedert 1 september 2014 operationeel en beschrijft de nodige expertise waarover een centrum moet beschikken om de medische oorzaak van de klachten van de patiënten te kunnen opsporen en behandelen. Het gaat onder meer om de beschikking over een specialist in inwendige geneeskunde. Als er geen andere oorzaak wordt gevonden, kunnen die centra uiteindelijk de CVS-diagnose stellen en de patiënten doorverwijzen naar de cognitieve gedragstherapeut. U weet dat er vaak een heleboel andere zaken moeten worden uitgesloten om uiteindelijk CVS als diagnose te stellen. Via de diagnostische centra zal de cognitieve gedragstherapie en de graduele oefentherapie, zoals nu het geval is, worden terugbetaald. De kandidaat-centra die voldoen aan de criteria van de nieuwe overeenkomst zullen voor hun patiënten de gespecialiseerde behandeling en diagnose kunnen verzekeren.

Ten tweede, van de diagnostische centra wordt precies verwacht dat zij de huisarts van de patiënt betrekken. Dat is wel nieuwer, vroeger fungeerde de huisarts verweesd en werd hij niet meer van nabij betrokken bij de verdere opvolging van de patiënt. In de nieuwe overeenkomst wordt ook in een participatiehonorarium voor de huisarts voorzien en de diagnostische centra bezorgen aan de huisartsen de richtlijnen over hoe CVS vroegtijdig gedetecteerd kan worden en over de begeleiding van patiënten met vermoeidheidsklachten bij wie de diagnose van CVS nog niet gesteld kan worden. De centra moeten ook behandelingsrichtlijnen bezorgen aan de kinesitherapeuten en aan de cognitieve gedragstherapeuten die in de eerste lijn werken. De diagnosestelling en de follow-up zijn natuurlijk belangrijk, maar de wekelijkse behandeling kan plaatsvinden bij een kinesist dichter bij de patiënt; het is voor de patiënten immers extra vermoeiend om zich telkens naar de centra te begeven. Op die manier zal de expertise van de diagnostische centra beter doorstromen, ook naar de eerstelijnszorg.

Ten derde, inzake het sociaal statuut voor CVS-patiënten kan ik zeggen dat zij in aanmerking kunnen komen voor een verhoogde tegemoetkoming, de maximumfactuur, de derdebetalersregeling en een uitkering voor arbeidsongeschiktheid.

Op dit moment zijn er geen concrete plannen om nog andere initiatieven in dat domein te ontwikkelen dan wat nu reeds gepland is of binnenkort nog van start zal gaan, met name de overeenkomst met de diagnostische centra die bereid zijn om volgens dat uitgewerkt concept te werken.

Wij wachten inderdaad op een medische doorbraak in het onderzoek naar de diagnose. Wanneer de aandoening eenmaal bekend is, weet men ook wat te doen en kan een behandeling daar verandering in brengen. Die doorbraak is er op dit moment spijtig genoeg nog niet. Het is meer dan nodig om het onderzoek naar de oorsprong van die ziekte voort te zetten.

De problematiek van CVS hebben wij ooit nog met toenmalige ministers Aelvoet en Vandenbroucke besproken. U zult zich die gesprekken van ruim vijftien jaar geleden zeker nog herinneren.

Het is moeilijk om de ziekte te diagnosticeren. Wij weten niet wat er lichamelijk met die mensen gebeurt. De aandoening treft personen van alle leeftijden, ook jongeren. Ik denk dat verder onderzoek aangewezen is.

Anne Dedry (Ecolo-Groen): Mevrouw de minister, ik heb nog twee korte vragen.

  1. Ten eerste, heb ik het goed begrepen dat u dienaangaande geen nieuwe studie bij het KCE zult bestellen? Dat is immers een vraag van uw partijgenoot.
  2. Ten tweede, wat vindt u als arts zelf van de standpunten van dat biomedisch model? Ik vraag dit uit interesse, er is immers nogal wat controverse in de sector.

Minister Maggie De Block: Mevrouw Dedry, deze namiddag mag mevrouw Lijnen haar resolutie voorstellen en er zal iemand van het kabinet aanwezig zijn. Er zijn daarover ook andere resoluties ingediend. Wij zullen daar zeker een antwoord op geven maar ik wil niet vooruitlopen op de vraag. U weet trouwens dat wij spaarzaam moeten zijn met het aantal studies dat wij bij het KCE bestellen. Er moet evidence based materiaal terug te vinden zijn voor het kenniscentrum om daar nog eens een studie over te doen. Vermits er nog geen diagnose is, is er ook nog geen evidence based materiaal.

Als er al maatregelen genomen zijn inzake onder andere terugbetalingen, dan is dat gebeurd omdat er zo’n hoge nood aan was in onze maatschappij en omdat er zoveel problemen waren. Dat was  echter nog niet op basis van evidence based materiaal.

Ik overweeg alle opties en er zal iemand van het kabinet die dat van nabij opvolgt aanwezig zijn, maar ik ga geen voorafname doen.

© De Kamer

Geef een antwoord

Zijbalk

Volg ons
ma
di
wo
do
vr
za
zo
m
d
w
d
v
z
z
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
1
2
3
4
Geen Evenementen
Recente Links
Loading