random

Herziene CDC-criteria (Fukuda et al., 1994)

Holmes criteria (CDC), 1988 Canadese criteria, 2003

De CVS werkdefinitie van 1988 (Holmes et al.) kon niet effectief CVS onderscheiden van andere types van onverklaarbare vermoeidheid. Daarom werd op een vergadering van CVS-onderzoekers in 1993 beslist om een logische herziening van de definitie te ontwikkelen. De kern van de herziene CVS werkdefinitie bestaat uit een set van uniforme toepasbare richtlijnen voor de klinische en onderzoeksevaluatie van CVS en andere vormen van vermoeidheid.

De Fukuda-criteria zijn in wezen wetenschappelijke criteria, bedoeld voor wetenschappers om een homogene groep te creëren over een ziektebeeld, opdat men over hetzelfde probleem zou spreken. Dus deze criteria zijn niet bedoeld voor klinische doeleinden, ofte voor behandelende artsen. Daarover bestaat dus een groot misverstand. Daarentegen zijn de Canadese criteria (Carruthers et al., 2003) wel erg belangrijk voor behandelende artsen. (Uit: Interview met Dr. De Meirleir door Frank Twisk)

Hoewel de Fukuda-criteria algemeen het meest toegepast worden of het meest ingeburgerd zijn, falen deze criteria in het juist selecteren van ME/cvs-patiënten. Deze criteria beschouwen 'vermoeidheid' als een majeur criterium en 'malaise na inspanning' slechts als een mineur criterium, terwijl deze laatste een uniek kenmerk is van ME/cvs-patiënten. Bovendien bestaan de Fukuda criteria uit een set subjectieve symptomen die niet objectief te meten zijn. Uit onderzoek van Jason blijkt dan ook dat de Fukuda-criteria 55% vals-positieve diagnoses opleveren, in tegenstelling tot de striktere Canadese criteria (2003).

I. Hoofdcriterium

klinisch geëvalueerde chronische vermoeidheid die:

  1. onverklaarbaar is
  2. continue aanwezig is, of herhaaldelijk terugkeert
  3. nieuw is, of een duidelijk begin heeft (niet het hele leven al aanwezig)
  4. niet het resultaat is van voortdurende belasting
  5. niet duidelijk minder wordt door rust
  6. een aanzienlijke afname van het vroegere activiteitenniveau op het gebied van werk, studie, sociale of persoonlijke activiteiten tot gevolg heeft.

II. Nevencriteria

het tegelijkertijd voorkomen van tenminste vier van de volgende symptomen. Deze symptomen moeten allemaal een periode van tenminste zes achtereenvolgende maanden aanhouden of gedurende deze periode steeds weer terugkeren. Ze mogen niet reeds hebben bestaan voor de vermoeidheid begon.

  1. de patiënt geeft aan dat hij of zij een verslechtering van het korte-termijn geheugen of van het concentratievermogen ervaart die zo ernstig is dat het een aanzienlijke vermindering van het vroegere activiteitenniveau op het gebied van werk, studie, sociale of persoonlijke activiteiten tot gevolg heeft
  2. pijnlijke keel
  3. gevoelige cervicale of axillaire lymfeklieren
  4. spierpijn
  5. hoofdpijn die qua vorm, patroon en ernst nieuw is
  6. slaap waar de patiënt niet van uitrust
  7. na inspanning malaisegevoel dat meer dan 24 uur aanhoudt
  8. pijn in verschillende gewrichten zonder zwelling of roodheid.

Uitsluitingscriteria

de diagnose CVS mag niet worden gesteld als de vermoeidheid kan zijn veroorzaakt door of condities die de diagnose CVS uitsluiten:

  1. Elke actieve medische conditie dat het voorkomen van chronische vermoeidheid kan verklaren, zoals onbehandelde hypothyroïdie, slaapapnoe of narcolepsie, en medicijnen met als nevenwerking vermoeidheid.
  2. Sommige gediagnosticeerde ziektes kunnen terugvallen of kunnen niet volledig opgelost zijn tijdens behandeling. Als het voorkomen van zo’n conditie de aanwezige chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren en als niet duidelijk onderscheiden kan worden dat de oorspronkelijke conditie volledig verholpen is door behandeling, dan kunnen zulke patiënten niet de diagnose CVS krijgen. Voorbeelden van ziektes die aan dit plaatje voldoen, zijn bijvoorbeeld chronische hepatitis B en C.
  3. Elke diagnose, gesteld in het verleden of huidig, van een belangrijke depressieve stoornis met psychose of melancholische eigenschappen:

    • Bipolaire affectieve stoornissen
    • Schizofrenie van elk subtype
    • Misleidende stoornissen van elk subtype
    • Dementie van elk subtype
    • Anorexia nervosa
    • Boulimie nervosa
  4. Alcohol of misbruik van andere middelen
  5. Ernstige obesitas (BMI >= 45)

Elke onverklaarde abnormaliteit ontdekt tijdens onderzoek of andere testen die een uitsluitingscriterium suggereren, moeten uitgeklaard worden vooraleer verder geclassificeerd wordt.

Condities die de diagnose CVS niet uitsluiten

  1. Elke conditie die hoofdzakelijk door symptomen wordt bepaald die niet kunnen bevestigd worden door diagnostische labotesten, inclusief

    • Fibromyalgie
    • Angststoornissen
    • Somatoforme stoornissen
    • Nonpsychotische of melancholische depressie
    • Neurasthenie
    • Meervoudige chemische sensitiviteit (MCS)
  2. Elke conditie oder specifieke behandeling, voldoende om de symptomen te verminderen, gerelateerd aan de conditie en voor welke de geschiktheid van de behandeling gedocumenteerd is. Vb. hypothyroïdie of astma
  3. Elke conditie, zoals de ziekte van Lyme of syphillis, dat behandeld werd met definitieve therapie, voor de ontwikkeling van chronische symptomen.

Een noot bij het gebruik van laboratorium testen bij de diagnose van CVS

Een minimum aan laboratoriumonderzoek zou uitgevoerd moeten worden. Routinematige testen voor alle patiënten hebben geen waarde. Nochtans kunnen verdergaande testen uitgevoerd worden op individuele basis om een andere diagnose te bevestigen of uit te sluiten, zoals MS. In deze gevallen moeten bijkomende testen gedaan worden, overeenkomstig de geaccepteerde klinische standaarden.

Het gebruik van testen om CVS te diagnosticeren (in tegenstelling tot het uitsluiten van andere diagnoses) zou enkel uitgevoerd moeten worden op protocol-gebaseerd onderzoek. Het feit dat zulke testen nog in testfase zitten en niet helpen bij de diagnose zou uitgelegd moeten worden aan de patiënt.

In de klinische praktijk, kunnen geen testen aanbevolen worden voor de specifieke diagnose van CVS. Testen zouden gebruikt moeten worden om andere mogelijke klinische condities te bevestigen of uit te sluiten. Voorbeelden van specifieke testen die de diagnose van CVS noch bevestigen noch uitsluiten zijn serologische testen voor:

  • EBV (Epstein-Barr virus)
  • enterovirussen
  • Retrovirussen
  • HHV 6 (humaan herpesvirus)
  • Candida albicans

immunologische testen, inclusief celpopulaties en functiestudies en beeldonderzoeken zoals MRI-scans en SPECT-scans en PET-scans.