random

Testen als hulp bij de diagnose

Definitie - criteria Differentiaaldiagnose

Veel artikels in de media stellen voorop dat er geen testen bestaan in de zoektocht naar de diagnose ME/CVS. Bovendien claimt men dat er geen objectieve of kwantificeerbare afwijkingen aangetoond kunnen worden bij ME/CVS-patiënten. Het mag dan wel gaan over populaire artikelen, het is de grootste fabel die er bestaat.

De realiteit is echter dat er objectieve evidentie of kwantificeerbare organische abnormaliteiten reeds bestaan sinds de jaren ’50. Testen zullen enkel normaal zijn – net zoals bij alle ziektes – als de verkeerde testen uitgevoerd worden of als de patiënt geen ME/CVS heeft.

Bij ME/CVS gaat het niet over vermoeidheid, wat weliswaar een essentiële karakteristiek is van ME, maar om een disfunctie van het centrale zenuwstelsel en het immuunsysteem.

NEUROLOGISCHE AFWIJKINGEN VASTSTELLEN 

1. SPECT en xenon SPECT scan van de hersenen

SPECT scans tonen een verminderde doorbloeding aan van de hersenen in welbepaalde delen. 80% van de ME/CVS-patiënten vertonen een abnormale SPECT-scan. Wanneer de SPECT-scan normaal is, kan een xenon SPECT-scan uitgevoerd worden. Wanneer de hersenscans normaal blijven, dan is de kans al kleiner dat het om ME/CVS gaat.

2. MRI scan van de hersenen

Bij 78% van de ME/CVS-patiënten werden subcorticale gebieden met hoge signaalintensiteit – overeenkomstig oedeem of demyelinesatie – vastgesteld d.m.v. MRI (gelijkaardig aan wat men ziet bij MS). Onderzoek toonde aan dat 50 tot 80 % van de ME/CVS-patiënten een abnormale MRI-scan vertonen.

3. PET scan

Een PET-scan heeft een verminderd glucosemetabolisme aangetoond in de rechter mediofrontale cortex en gegeneraliseerde hypoperfusie van de hersenen met een specifiek patroon van gedaald neuronaal metabolisme in de hersenstam.

4. Neuropsychologische testen

Neuropsychologische testen kunnen gebruikt worden om cognitieve disfunctie te identificeren en/of om de diagnose ME/CVS te bevestigen. Er moet gefocust worden op gekende afwijkingen om ME/CVS te onderscheiden van andere oorzaken van organische hersenafwijkingen.

5. EEG en QEEG

95 % van de ME/CVS-patiënten vertonen een abnormale EEG. Dr. Hyde haalt aan dat een QEEG accurater is en dat ze in staat zijn om niet alleen een gebrek aan normale hersenactiviteit bij ME/CVS-patiënten aan te tonen, maar ook een verschuiving van de normale maar beschadigde activiteitscentra naar andere delen van de hersenen.

6. Neurologisch onderzoek en Romberg test

De meeste ME/CVS-patiënten scoren abnormaal bij een neurologisch onderzoek. De Rombergtest is nuttig voor het onderzoek van de hersenstamfunctie. Deze test houdt in om met de ogen open en daarna met de ogen dicht met de voeten bij elkaar of na elkaar te blijven staan voor een minuut of meer. Een patiënt test positief of abnormaal als hij kan blijven staan met de ogen open maar valt met de ogen dicht. Volgens Dr. Cheney scoort 90 % van de ME/CVS-patiënten positief op de Rombergtest t.o.v. 0 % van de controlepatiënten.

7. 24u holter monitor

Dit type hartmonitor kan herhaaldelijk oscillerende inversies van T-golven aantonen, en/of een vlakke T-golf kan aangetroffen worden. Holter monitors kunnen ook hartfrequenties aantonen van 150 slagen per minuut of meer als directe of vertraagde reactie op de patiënt die een rechte houding handhaaft of in rust. Hartslagen van 40 of minder kunnen ook geobserveerd worden (tijdens de slaap).

8. Tilt table test

Orthostatische intolerantie komt vaak voor bij ME/CVS-patiënten, en kan zich manifesteren als één of een combinatie van volgende: neurale mediane hypotensie (NMH), posturale orthostatische tachycardia syndroom (POTS) of vertraagde posturale hypotensie.

IMMUNOLOGISCHE AFWIJKINGEN VASTSTELLEN

9. Testen van het immuunsysteem

Afwijkingen in het immuunsysteem van ME/CVs-patiënten zijn gelijkaardig aan het immuunpatroon bij virale infecties. Specifieke bevindingen omvatten (maar zijn niet beperkt tot):

    1. Verhoogd aantal geactiveerde cytotoxische T-cellen (meeste patiënten vertonen een T-cel activatie)
    2. Of afname in aantal van T-cel lymfocyten (CD3, CD4, CD8)
    3. Minder Natural Killer (NK)-cellen en functie (cytotoxiciteit)
    4. Verhoogde immuuncomplexen
    5. Atypisch aantal lymfocyten
    6. Significant gereduceerde CD8 suppressor cellen en verhoogde marker (CD38, HLA-DR)
    7. Abnormale CD4+/CD8+-ratio (helper/suppressor ratio)
    8. Verhoging van cytokines
    9. Immunoglobuline deficiëntie (meestal IgG1 en IgG3)
    10. Virale infecties (actief of reactiverend, persisterend)
      1. Epstein Barr Virus (EBV): viral capsid antibodies (VCA), early antigen antibodies (EA) IgG, Epstein-Barr Nuclear antigen Antibodies (EBNA), IgG & IgM, PCR
      2. Cytomegalovirus (CMV): IgG & IgM, PCR
      3. Humaan herpes virus 6 (HHV6): IgG, PCR
      4. Humaan herpes virus 7 (HHV7): PCR
      5. Coxsackie virussen (B1-6)
    11. Bacteriële infecties (actief of reactiverend, persisterend)
      1. Mycoplasma: IgM & IgG, PCR
      2. Chlamydia: IgM & IgG, PCR
      3. Bartonella
      4. Rickettsia
      5. Borrelia: IgG, Western Blot, LTT
      6. Ehrlichia/Anaplasma

10. R-Nase L

Een meer specifieke afwijking in het immuunsysteem werd ontdekt in een verhoogde activiteit en disfunctie van het 2-5A RNase L antivirale pathway in lymfocyten. De ontregeling van het RNase L pathway onderbouwt sterk de hypothese dat virale infectie een rol speelt in de pathogenese van ME/CVS. Tussen 80 % en 94,7 % van de ME/CVS-patiënten vertonen een verhoogde activiteit van het 2-5A antivirale pathway. De graad van verhoging van het 37kDa RNase L wordt gecorreleerd met de ernst van de symptomen. De test is nog niet wereldwijd beschikbaar maar zal een van de nuttigste testen zijn om de diagnose ME/CVS te stellen in de toekomst. (Dr. Kenny De Meirleir Breakthrough Research and Recommendations for CFS Testing and Threatment - RedLabs)

Opmerking: Bij een klein aantal ME-patiënten is geen sprake van een overactief antiviraal mechanisme, maar juist het omgekeerde: het antiviraal mechanisme werkt helemaal niet, omdat er te weinig actieve RNAse-L wordt gevormd, zoals ook bij AIDS-patiënten het geval is. Hierdoor zijn zowel ME- als AIDS-patiënten zeer vatbaar voor virale infecties.

11. Erytrocyten Sedimentatiesnelheid (ESR)

Deze standaard bloedtest wordt gebruikt om ontsteking te detecteren, gebaseerd op de bezinkingsgraad van rode bloedcellen. Een ongewone lage ESR van < 5 mm/u is gebruikelijk bij ME-patiënten.

12. Insuline niveaus en glucose-intolerantietest

Storing in de insulinerespons is frequent bij ME/CVS-patiënten. Glucose-intolerantiecurves zijn vaak abnormaal.

13. Zware metalen

De MELISA®-test is een bloedtest die de hypergevoeligheid voor zware metalen test. Indien deze test sterk positief blijkt, kan men via een urinetest de blootstelling aan zware metalen opmeten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van chelatie provocatie (d.m.v. toediening van Dimaval of DMPS) om daarna de urine te testen op zware metalen.

14. Urinetest Th1/Th2

(Tekst: F. Twisk) Dr. Roelant en prof. De Meirleir hebben een test ontwikkeld, waarbij de urine verkleurt bij een scheikundige reactie met "redox-actieve" stoffen die volgens hen overvloedig voorkomen in de urine van mensen met Th2-immuunactivatie.

Als de urine na 1 minuut sterk verkleurt, is er volgens de auteurs sprake van een sterke Th2-shift en als die na 2 minuten verkleurt is er sprake van een minder sterke Th2-shift. Na 3 minuten is de urine van (gezonde) mensen (Th1/Th2 in evenwicht) heel licht verkleurd, die van mensen met een (lichte/zware) Th2-shift is daarentegen veel sterker verkleurd, terwijl die van mensen met een Th1-shift nog steeds geen verkleuring te zien geeft. Na een kwartier zijn de urinemonsters van mensen met een Th2-shift zeer sterk verkleurd, terwijl de urine bij een (sterke) Th1-shift na 15 minuten nog steeds niet niet verkleurd is.

Er zou bij 75% van de ME/CVS-patiënten sprake zijn van een (lichte/zware) T2-shift en kan de test gebruikt worden om bijvoorbeeld het effect van "immuunmodulatie" te meten.

INTESTINALE DISFUNCTIES VASTSTELLEN

a) Ademtesten

Met behulp van ademtesten kan een mogelijke lactose- of fructose-intolerantie opgespoord worden: de uitgeademde hoeveelheid waterstof wordt gemeten. Deze testen worden door het RIZIV terugbetaald.

b) Scintigrafie

Een vertraagde maaglediging voor vast of vloeibaar voedsel of eventuele gastroparese kan aangetoond worden aan de hand van een scintigrafie, een nucleaire beeldvormingstechniek.

c)Bloedtesten

Gezien de Th2-shift hebben ME-patiënten meer last van voedselintoleranties. Daarom kan een voedselintolerantietest uitgevoerd worden waarbij de concentratie IgG antilichamen voor x bepaalde voedingsstoffen bepaald worden.

Glutenovergevoeligheid vaststellen kan met een immunoglobulinen IgG serum antilichaam test. Een overgevoeligheid voor gluten ziet er uit als een spectrum van coeliakie aan de ene kant tot een normale tolerantie aan de andere kant. Hierbij is "tolerantie" geen "alles-of-niets-definitie". Een breed scala van overgevoeligheden is hierin mogelijk.

De Immunobilan test detecteert in het bloed antilichamen IgA en IgM tegen een aantal specifieke darmbacteriën. Bij bacteriële overgroei worden grote hoeveelheden IgA geproduceerd in de darmen en worden die zelfs teruggevonden in het bloed. Bij verhoogde darmpermeabiliteit (Leaky gut), dringen de bacteriën de bloedbaan binnen en worden specifieke IgM geproduceerd.

e)    Faecale microbiële analyse

Een kwantitatieve bepaling van het aantal bacteriën, zowel aeroob als anaeroob. Deze test dient ter detectie van H2S en lactaat producerende bacteriën: vb. een teveel aan de aerobe bacterie enterococcus of streptococcus of de anaerobe bacterie prevotella of een tekort aan E. coli. (cf. supra).
Ook worden parasieten opgespoord en wordt gezocht op aanwezigheid van helicobacter pylori.

INSPANNINGSINTOLERANTIE VASTSTELLEN

Inspanningsproef op fiets en chemische stress test

Cardiopulmonaire fietstest wordt wereldwijd gebruikt voor de diagnose (en functionele beoordeling) van verschillende cardiale en metabole afwijking en kan ook gebruikt worden bij de diagnose van ME/CVS-patiënten. Hartfrequentie en bloeddruk tijdens de test vertoont afwijkingen specifiek voor ME/CVS-patiënten: lagere cardiovasculaire en zuurstofopname waarden bij maximale inspanning. Patiënten zijn vaak niet in staat de helft van de verwachte maximale inspanning en zuurstofopname te halen t.o.v. gezonde mensen. De hartslag in rust is vaak verhoogd en men is vaak niet in staat om de maximale leeftijdsgebonden hartslag te halen. Dr. Hyde: Patiënten met ME/CVS kunnen vaak geen fietsproef doen. Daarom kan als alternatief een chemische test gedaan worden.

Fysieke test

Er zijn ook een veelheid aan afwijking zichtbaar in een fysieke test. Deze afwijkingen zijn niet gebruikelijk bij gezonde patiënten maar worden ook gevonden bij mensen met ander organische ziekten (dus zijn ze niet specifiek voor ME/CVS). De post-exertionele paralytische spierzwakheid uniek voor ME/CVS moet ook getest woren. Een diagnose ME/CVS zou nooit gemaakt mogen worden zonder deze karakteristiek.

DUBBELE INSPANNINGSTEST

Een dubbele inspanningstest geldt als objectief bewijs voor de inspanningsintolerantie of het verstoord herstelvermogen van ME(CVS)-patiënten, wat een fundamenteel kenmerk is van deze ziekte. Bovendien staat deze inspanningsintolerantie haaks op de 'therapie' aangeboden door referentiecentra, namelijk GET (graded exercise therapy) of graduele oefentherapie die dus voor grote groepen ME(CVS)-patiënten schadelijk is.

Uitgebreide info: klik hier, klik hier, klik hier (Frank Twisk) en klik hier (MEAB Voorlichtingsdossier)

Opinie: Zijn dubbele fietstesten zinvol voor ME/CVS? Ja

SLAAPTESTEN

Slaapstoornissen zijn een erg frequent probleem bij ME. Daarom kan een slaaponderzoek of polysomnografie aangewezen zijn. Vaak ziet men dan verstoringen in de REM-slaap (rapid eye movement). Ook kunnen slaapapnoe en myocloniën optreden. Myocloniën zijn clonische spiersamentrekkingen.
Het belang van dit onderzoek is dat men kan opsporen of de vermoeidheid veroorzaakt wordt door een primaire slaapstoornis. In dit geval is de vermoeidheid makkelijk behandelbaar.

Door middel van een speekseltest kan de concentratie van het hormoon melatonine bepaald worden.

NEURO-ENDOCRIENE TESTEN

a) Schildklierafwijkingen

Schildkliertesten omvatten TSH, vrij T3 en vrij T4. ME kan de werking van de schildklier ondermijnen, met later een resem schildklierproblemen tot gevolg. Daarom is het aangewezen om herhaaldelijk de schildklier te testen om afwijkingen op te sporen (hypo- of hyperthyreoïdie, vergroting schildklier).

b) Groeihormoontekort

Groeihormoon is belangrijk voor tal van functies in het lichaam, zoals de opbouw van spieren, versterking van de botten, versterking van het hart. Groeihormoontekort ontstaat vaak door het slecht functioneren van de hypofyse of de hypothalamus (bv. Veroorzaakt door een whiplash). Bij een groep ME-patiënten wordt een tekort vastgesteld. Groeihormoondeficiëntie uit zich in een tekort aan IGF-1, insuline-growth-factor 1. Om dit op te sporen, wordt gebruik gemaakt van een stimulatietest, veelal de insulinetolerantietest, waarbij op vaste tijdstippen bloed geprikt worden over enkele uren. Deze test moet minstens twee maal herhaald worden om zeker te zijn dat er een tekort is.

c) Prolactine

Het hormoon prolactine dat vaak verhoogd is bij ME-patiënten, kan in het bloed gemeten worden.

d) Cortisol

Cortisol kan zowel in het bloed als in een 24u urinetest gemeten worden, waarbij de laatste een nauwkeuriger beeld geeft. Cortisol is vaak verlaagd bij ME-patiënten en is verhoogd in stresssituaties.

ATP-PROFIELTEST

Dr. Sarah Myhill en collega’s (2009) hebben een test ontwikkeld om de verstoorde werking van de mitochondria (energiecentrales in de cellen) in cijfers uit te drukken. Uit hun onderzoek blijkt dat de ernst van de ziekte/invaliditeit sterk verband houdt met de mate waarin de werking van de mitochondria ontregeld is.
 
Deze werking van de mitochondriën wordt in 5 getallen uitgedrukt:

  1. De beschikbaarheid van ATP in de mitochondria (gemeten in neutrofielen)
  2. De hoeveelheid ATP gebonden aan magnesium (die nodig is om energie vrij te maken)
  3. De efficiëntie waarmee ADP omgezet wordt in ATP
  4. De efficiëntie van overdracht van ADP naar mitochondriën
  5. De efficiëntie van overdracht van ATP tot cytosol (vloeistof waarin celorganellen voorkomen en metabole processen plaatsvinden)

De efficiëntie van het energieproductieproces wordt bepaald door het product van deze 5 deelresultaten. Daaruit blijkt de werking van de mitochondriën direct samen te hangen met de ernst van de klachten of invaliditeit.
De patiënten werden op basis van de mate van invaliditeit ingedeeld in drie groepen: zware gevallen, gemiddelde ME-patiënten en ‘lichte’ gevallen.

Neurologische en immunologische afwijkingen gebaseerd op Jodi Bassett – Testing for Myalgic Encephalomyelitis, 02-2006. (Vertaling: Zuiderzon)

Een overzicht van algemene en specifieke (bloed)testen werd ook opgesteld door Marry: http://www.everyoneweb.com/KinderenmetME (Hoe stel je de diagnose? -> Welke bloedtesten?)

Lees ook Diapresentatie. Wetenschappelijk gebaseerde work-up (diagnose) bij ME/CVS-patiënten