Bron:

| 443 x gelezen

Rosamund Vallings, MB BS (Auckland NZ) & Sarah Dalziel, MB ChB (Rotorua NZ).

Op 22 augustus om 2 uur ‘s ochtends hadden we het voorrecht om de eerste virtuele onlineconferentie van IACFS bij te wonen. Het vond plaats om 2 uur omdat we in Nieuw-Zeeland zijn, dus onze klok lag 28 uur voor op het gebeuren. Het was vreemd om niet ter plaatse aanwezig te zijn en te genieten van het gezelschap van alle vertrouwde vrienden en collega’s. Maar het was schitterend georganiseerd door het bestuur en het team van IACFS/ME, en alles liep op rolletjes.

De conferentie werd geopend door voorzitter Fred Friedberg, die ons allemaal welkom heette en de manier van werken schetste. Hij praatte ons bij over het werk van het bestuur, waaronder het opzetten van een regelmatig gepubliceerd vakblad en de ondersteuning van onderzoekers.

De conferentie was opgedeeld in 5 hoofdsessies, met een vraag- en antwoordmoment na elk onderdeel en een lunchpauze halverwege.

Sessie over COVID-19

De eerste presentatie kwam van Harvey Moldofsky (Toronto, Canada) die onderzoek had gepubliceerd na SARS-Covid-1 in 2002. Hij beschreef de vaststelling van aanhoudende symptomen na deze ademhalingsziekte, die in 24 landen slachtoffers gemaakt had en geleid heeft tot 800 sterfgevallen. De eerste gerapporteerde casus in Canada, overgedragen via een liftknop, werd teruggevoerd tot een persoon die vanuit Hongkong was aangereisd. De ziekte verspreidde zich snel. In juni 2003 was de prevalentie van de ziekte gedaald, maar een aantal onderzochte patiënten (voornamelijk een cohort verpleegkundigen) bleef ziek met veel postvirale symptomen en had behoefte aan revalidatie. Pathofysiologie van het CZS was prominent aanwezig. De symptomen voldeden aan de criteria voor een diagnose van ME/cvs. Velen bleven langdurig ziek en waren niet in staat om hun verplegingstaken weer op te nemen.

Toen Covid-19 in Florida werd gediagnosticeerd, was Moldofsky daar aanwezig en werd er veel publieke belangstelling voor zijn publicatie uit 2003 gewekt. Sindsdien wordt hij door mensen van over de hele wereld gecontacteerd, die patiënten beschrijven met aanhoudende symptomen die lijken op ME/cvs. Het belangrijkste punt lijkt te zijn dat er tot nu nog geen idee is van de prevalentie en dat epidemiologisch onderzoek nodig is.

Daarna volgde Leonard Jason (Chicago, VS) die het had over de risicofactoren voor de ontwikkeling van Covid-19 en de nasleep daarvan. Hij beschreef de griepepidemie van 1918. Er waren 25 tot 50 miljoen slachtoffers en 2 miljoen ervan zijn niet meer hersteld. Andere studies hebben het verband tussen virale ziekten en de ontwikkeling van ME/cvs onderzocht. Na SARS-CoV-1 had 40,3% van de mensen chronische vermoeidheid bij de follow-up, waarbij 27% in aanmerking kwam voor een diagnose van ME/cvs. In een studie naar besmetting met mononucleose bleek 13% na 6 maanden nog steeds ziek te zijn en 4% bleef vermoeid op 24 maanden. In een studie naar infectieuze mononucleose bleek 13% na 6 maanden nog steeds ziek te zijn en 4% bleef vermoeid op 24 maanden. Er werd vastgesteld dat het uitgangsniveau van de autonome symptomen en het aantal in bed doorgebrachte dagen, voorspellende factoren waren voor de ontwikkeling van ME/cvs.

Dr. Jason lichtte zijn lopende studie toe van 4501 gezonde universiteitsstudenten, na een infectieuze mononucleose. Van de 5% die werd gediagnosticeerd met IM, heeft 8% ernstige symptomen op 6 maanden. Ze hebben tekorten in de uitgangswaarden gevonden in verschillende immuunmarkers, IL5, IL6 en IL13. Jason zet zijn longitudinale studie voort. 5% van de testgroep is geïnfecteerd met Covid-19. Dit is een unieke gelegenheid om de bevindingen tussen geïnfecteerde en niet-geïnfecteerde personen te vergelijken, aangezien er referentiegegevens zijn en opgeslagen serum.

Gegevens verzameld door de COVID-19-steungroep Body Politic betreft 640 COVID-patiënten. 91% van de patiënten is na 40 dagen nog niet volledig hersteld en 70% heeft in verschillende stadia nieuwe symptomen ontwikkeld. Het is mogelijk dat mensen met ME/cvs een ernstiger ziekteverloop krijgen als ze Covid-19 zouden krijgen.

Sadie Whittaker (Solve ME, Los Angeles, VS) kwam daarna met verdere overwegingen om de vatbaarheid of weerbaarheid voor de chronische effecten van Covid-19 te begrijpen, en de hoop dat dit ons een beter inzicht zal geven in ME/cvs. Hun team is bezig met het ontwikkelen van een online register dat de symptomen registreert en gegevens verzamelt. Dit ging live in mei 2020. Samenwerking lijkt de sleutel te zijn, samen met cocreatie, met mensen uit het Verenigd Koninkrijk en EMERGE Australia. Ze presenteerde hun huidige aanmeldingsdashboard. Tot dusver hebben ze er 1208 met ME/cvs en 154 controles. 39,8% van deze mensen is ernstige beperkt, er zijn 81% vrouwen. Ze zullen longitudinale gezondheidsinformatie en biologische monsters verzamelen van degenen met bevestigde Covid-19, en proberen de moleculaire variatie te bepalen die aan de basis ligt van de weerbaarheid versus de vatbaarheid voor langdurige symptomen.

De pandemie biedt een unieke kans om de vatbaarheid te begrijpen. Er is sprake van samenwerking met andere organisaties en harmonisatie van de gegevens. De deelnemers zullen hun Covid-19-status bevestigen door middel van serologie of virale PCR. Een trackingapp zal worden gebruikt om longitudinale symptomen en activiteit op te volgen. Er zullen kaarten met gedroogde bloedkaartjes, volledig bloed­­-, speeksel- en stoelgangstalen worden verzameld.

Men hoopt om genetische, epigenetische, transcriptomische, immuun- en andere kwetsbaarheidsfactoren te ontdekken. Dit kan leiden tot een betere typering van ME/cvs en zelfs tot de ontwikkeling van geneesmiddelen.

Youandmeregistry.com/

Ronald Tompkins (Open Medicine Foundation, Harvard University, USA) heeft de problematiek van de overgang van Covid-19-patiënten naar patiënten met ME/cvs aan de orde gesteld. Covid-19 zal wellicht ons inzicht vergroten in de pathofysiologische aspecten die in verband kunnen worden gebracht met degenen die uiteindelijk ME/cvs ontwikkelen. Vier samenwerkingscentra zijn betrokken bij deze studie en dat biedt dus veel mogelijkheden. In dit stadium is de incidentie van een langdurige ziekte onbekend en kan die liggen tussen 25 en 75%. De eigenlijke ernst van de ziekte is mogelijk niet relevant, maar zal waarschijnlijk meer algemeen inzicht geven. Dit zou kunnen leiden tot een beter begrip van de genomica, proteomica en metabolomica bij degenen die ME/cvs ontwikkelen, evenals tot de identificatie van potentiële biomerkers en doelwitten voor geneesmiddelen, enz.

Drie fases van de ziekte zullen bestudeerd worden:

1. Patiënten opgenomen op intensieve zorgen met COVID-19. Bloed en hersenvocht worden afgenomen voor meerdere “omica”-analyses. Vergelijkingen kunnen worden gemaakt met een omvangrijke database van personen met een zwaar letsel.

2. Beoordeling 6 maanden na ontslag. Herstelstatus zal voor veel patiënten op 1 tot 3 maanden zijn. Sommigen kunnen na 6 maanden verergeren en evolueren in de loop van de tijd. Het zoeken naar biomerkers en behandelingen is aangewezen.

3. Longitudinale opvolging op 6 tot 24 maand van diegenen die nog steeds pathologische vermoeidheid hebben, met dezelfde “omica”-analyse.

Volgens de huidige observatieonderzoeken zal 30 tot 50% van de patiënten niet herstellen. En op 18 tot 24 maand zou een diagnose van ME/cvs op zijn plaats zijn.

Volgende analyses zullen worden uitgevoerd: RNA-sequentieanalyses van het leukocytentranscriptoom, CyTOF-immuuncelprofilering, plasma, urine en proteomica en metabolomica van het hersenvocht, DNA-methylatietests, microRNA-expressieprofielen, volledige genoomsequentie en virale lading/virale reactivatie. Dit zal een enorme hoeveelheid potentieel nuttige informatie opleveren.

Luis Nacal (London School of Tropical Medicine and Hygiene, VK) keek naar de impact van Covid-19 op het risico en de prognose van ME/cvs. Deze epidemie biedt kansen om te kijken naar de langetermijneffecten van Covid-19 op degenen die al ME/cvs hebben. Ook zal de incidentie van het postvirale vermoeidheidssyndroom en gerelateerde aandoeningen als gevolg van een Covid-19-infectie bestudeerd worden.

De studies zullen worden uitgevoerd op 5 locaties in British Columbia met een opvolging van post-COVID-19 op 2 tot 4 weken en vervolgens op 8 tot 10 weken. Er zal ook een beroep worden gedaan op een Britse biobank. Ze zullen de effecten van een infectie bij mensen met eerder gediagnosticeerde ME/cvs en andere chronische ziekten in kaart brengen. Longitudinaal onderzoek naar het effect van COVID-19 op de incidentie en de duur van PVVS zal worden uitgevoerd.

Patiënten uit Canada, het VK en Brazilië zullen worden opgevolgd om vroege biomerkers op te sporen, door een vergelijking te maken tussen degenen die herstellen en degenen die niet herstellen. De gevolgen van Covid-19 voor mensen met een reeds vastgestelde ziekte zullen ook worden onderzocht.

Resultaten van pilootstudies bij patiënten met ME/cvs na een milde COVID-19-infectie tonen hogere waarden voor PEM, hersenmist en vermoeidheid na infectie, maar geen toename van de autonome symptomen.

Opportuniteiten om de ontstaansgeschiedenis van de ziekte te begrijpen, de pathofysiologie en vroegtijdige mogelijke interventies, zijn waarschijnlijk een volgende stap.

Daarna volgde een vraag- en antwoordsessie waarin een aantal belangrijke punten aan de orde kwamen:

  • Toekomstige analyses zullen worden uitgevoerd met aandacht voor de genetische aanleg.
  • Er zal rekening worden gehouden met raciale kenmerken – er lijkt een grotere prevalentie te zijn onder latino’s en zwarten. De Spaanstalige bevolking is duidelijk oververtegenwoordigd.
  • Er was geen mogelijkheid om te testen op een cytokinestorm in de periode na SARS-1. NK-cellen werden geanalyseerd en de aantallen vertoonden een dalende tendens.
  • De meeste mensen met cvs (90%) hebben geen diagnose.
  • Het is belangrijk dat er een uniforme casusdefinitie komt, zodat studies zinvol zijn.
  • Zullen vaccins voor Covid-19 een risico vormen voor mensen met cvs? – Dat weten we niet.
  • Studies zullen bekijken of de toestand van de T-cellen een rol speelt in Covid-19
  • Er is veel heterogeniteit in Covid-19 en het is nog niet bekend of orgaanschade een rol speelt bij de ontwikkeling van post-covid-19-ME/cvs.
  • Er zijn klinieken opgezet voor post-COVID-studies. Ze zullen kijken naar zaken als de vraag of het gebruik van antivirale middelen of steroïden het minder waarschijnlijk heeft gemaakt dat iemand ME/cvs ontwikkelt na COVID.

Samenvatting

Eerdere studies hebben aangetoond dat ernstige virale ziekten zoals SARS-COV-1, Ebola en EBV na 6 maand een hoge prevalentie van ernstige vermoeidheid hebben veroorzaakt. De huidige pandemie van COVID-19 biedt de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de pathofysiologie en de risicofactoren voor de ontwikkeling van ME/cvs. Vroege observatiestudies van COVID-19 doen een hoge incidentie van postvirale vermoeidheid vermoeden. Er zijn veel studies aan de gang die gegevens verzamelen om longitudinaal onderzoek mogelijk te maken. De mogelijkheid bestaat dat risicofactoren voor de ontwikkeling van ME/cvs worden geïdentificeerd, evenals de pathofysiologie, biomerkers en doelwitten voor geneesmiddelen en dat preventiestrategieën en toekomstige behandelingen worden uitgewerkt.

Sessie over immunologie – metabolisme -hartslagvariabiliteit

Deze sessie werd geopend met een presentatie van Wakiro Sato (Tokio, Japan). Hij beschreef ME/cvs als een neuro-immunologische ziekte, en er zijn aanwijzingen voor afwijkingen in het immuunsysteem. Hij had zich gebogen over B-cel-depletietherapie (rituximab). Maar omdat de Noorse studies de werkzaamheid niet bewezen hadden, suggereerde hij heterogene kenmerken van een immuungemedieerde pathologie.

Hij liet een afbeelding zien van het moleculair mechanisme en gaf een toelichting over B-celreceptorsequentie (BCR). Het BCR-repertoire in de lymfocyten van patiënten was scheefgetrokken in vergelijking met gezonde controles. Het gebruik van specifieke IgH-genen was verhoogd bij ME/cvs. Plasmablastcellen die antilichamen afscheiden, waren gecorreleerd met de score van de ziekte-ernst. Analyse van de genexpressie van plasmablasten werd vergeleken met gezonde controles. De expressie van MXI was hoger bij patiënten met een acuut begin. Met behulp van ROC toonde hij aan dat de AUC hoog lag, op .906, wat aangeeft dat deze analyse een goede biomerker zou kunnen worden voor de diagnose van ME/cvs. Hersenafwijkingen zijn ook gecorreleerd met de symptomatologie van ME/cvs.

Het algemene doel van deze studies is het ophelderen van de immuungerelateerde pathogenese van ME/cvs en het ontwikkelen van objectieve diagnostische biomerkers, wat kan leiden tot behandelingsstrategieën.

Ina Petterson (Bergen, Noorwegen) had onderzocht of een gebrekkig energiemetabolisme bijdroeg aan de mechanismen bij ME/cvs. Verschillende metabole processen werden geanalyseerd. ME/cvs-patiënten bleken een veranderd aminozuurprofiel te hebben. Het bleek al eerder dat de functie van pyruvaatdehydrogenase (PDH) aangetast is. Zij ontdekten dan dat er een opwaartse regulering was van PDH-kinasen die wel degelijk PDH-activiteit afremmen. Dit leidt tot een verhoogd lactaat. Eerdere studies toonden al aan dat een verhoogde PDK kan leiden tot een toestand van energiegebrek.

Verdere studies stelden gezonde spiercellen bloot aan serum van ME/cvs en er was een verhoogde celademhaling die leidde tot een verhoogde lactaatproductie. Dit kan wijzen op een factor in het serum die metabole veranderingen teweegbrengt. Dit moet verder worden onderzocht.

Als we kijken naar de metabolome analyse bij 83 patiënten en 35 controles, waren 159 van de 660 metabolieten verschillend, en suggereerden ze metabole stress. Er zijn mogelijke kandidaatgenen in families en er is mogelijk een immuunrespons aan de gang die correleert met metabole stressoren.

Fred Friedberg (Stoney Brook, NY, VS) ging in op de vraag waarom ME/cvs-patiënten beter of slechter worden. Ongeveer 50% verbetert niet. Hij besprak of pushen/crashen (‘zaagtandpatronen’), huisgebonden zijn of stressoren/levensgebeurtenissen, of het hebben van “oplevingen” een rol speelden. Is er een biologische indicator – zoals hartslagvariabiliteit? (HRV). Verminderde HRV wordt geassocieerd met een slechtere morbiditeit, dus kan dit een gebrek aan verbetering voorspellen? – met name als het in verband wordt gebracht met ingrijpende levensgebeurtenissen of autonome ontregeling. Verbetering treedt meestal op in samenhang met zorgvuldige pacing, positieve ingrijpende levensgebeurtenissen en een verbeterde autonome regulering.

Er werd een 6 maanden durende observatiestudie uitgevoerd bij 125 ME/cvs-patiënten, 90% vrouwen met een gemiddelde ziekteduur van 16,5 jaar. De studie omvatte vragenlijsten, een webdagboek, accelerometrie en HRV-meting, met een interview na 6 maand. 36 waren verbeterd op 6 maanden, terwijl 89 niet verbeterd waren.

Er was geen significant verschil tussen groepen met verbetering en zonder, in push-crash-scores, beperkte activiteitsscores en scores voor heilzaam pacen. Er was een significant verschil in HRV tussen groepen met en zonder verbetering. Verbeterde patiënten hadden een hogere hartslagvariabiliteit. Er was ook een significant verhoogde score voor de intensiteit in oplevingen bij de groep met verbetering.

Fase-2-studies worden voortgezet. Er werd een associatie gevonden tussen de resultaten van actigrafie , heilzaam pacen, het beperken van activiteit en het zoeken naar praktische ondersteuning. Wekelijkse push-crash-scores en autonoom functioneren waren gecorreleerd. Wekelijkse HRV en HRV tijdens de slaap waren lager in de groep zonder verbetering. Dit kwam ook overeen met een slechtere gezondheidstoestand. Met behulp van machinaal leren werden 6 actigraafclusters gegenereerd.

Met deze objectieve meetinstrumenten kunnen crashes, terugval en gebrek aan verbetering worden voorspeld.

James Baraniuk (Washington, VS) had het over de hartslagvariabiliteit bij door inspanning geïnduceerde posturale tachycardie en POTS. De proefpersonen werden gerekruteerd uit 3 groepen: ME/cvs, Golfoorlogsyndroom (GWI) en gezonde controles. De HRV was niet significant verschillend tussen de 3 groepen. Metingen in liggende en staande houding, MRI, submaximale fietsproef en EKG-hartslagvariabiliteit werden uitgevoerd. Er werden drie groepen onderscheiden: STOPP (normale) verandering in hartslag van 10 tot 15 bpm (slagen per minuut) van liggend naar staand, POTS (hartslag >30 bpm bij verandering van houding, voor en na inspanning) en START (door stress geactiveerde omkeerbare tachycardie) met een verandering in hartslag die normaal was voor de inspanning, maar een verhoging in hartslag van >30bpm bij verandering van houding na inspanning. ME/cvs, GWI en HC vertoonden gelijkwaardige percentages voor POTS (17%), START (25%) en STOPP (58%). Een ROC-analyse van de hartslag na de inspanning onderscheidde de 3 groepen.

De indexen van het parasympathisch zenuwstelsel (PSZ) en het sympathisch zenuwstelsel (SZS) werden tegen elkaar uitgezet. Proefpersonen met POTS vertoonden een toename van het sympathische zenuwstelsel en een afname van het parasympathisch zenuwstelsel, maar proefpersonen uit START vertoonden alleen een afname van de PSZ-indexen, wat duidt op een disfunctionele baroreflex.

Het START-fenotype was niet uniek voor ME/cvs of Golfoorlogsyndroom (GWI). START en STOPP bij GWI vertonen echter significante metabolome en andere verschillen, wat kan duiden op een mechanistisch belang bij GWI.

Het is mogelijk om de START- en STOPP-groepen van elkaar te scheiden bij 80% van de proefpersonen. Er is een significant verschil in de parasympathische index tussen de 3 groepen, en na de inspanning veranderen de curves.

Het is mogelijk dat exertionele tachycardie een variant of onderdeel van PEM is.

Dan volgde een vraag- en antwoordsessie:

Het gebruik van commerciële toestellen (zoals Fitbits): of ze goed genoeg zijn voor het meten van de HRV werd ter sprake gebracht. De nauwkeurigheid ervan is waarschijnlijk aan het verbeteren. (F.F.)

Discussie over “oplevingen” – dit zijn positieve ervaringen gedurende de dag. De hoogste graad van oplevingen werd gezien bij de groepen die verbeterd zijn. (F.F.)

Men vroeg zich af waarom er sympathische en parasympathische afwijkingen voorkomen – is dit te wijten aan “hersenletsel”? – De middenhersenen moduleren het autonome verkeer en bij ME/cvs is er waarschijnlijk sprake van microgliale disfunctie/verhoogde activering die een autonome disfunctie veroorzaakt. (J.B.)

Het gebruik van de kanteltafel werd ter sprake gebracht. JB vond dit artificieel en gebruikt liever staan of liggen (J.B.).

Zijn therapeutische immunoglobulinestudies gerechtvaardigd? -Ja (W.S.)

Sessie over behandelingen

Violetta Renesca (Nova Southeastern University, VS) presenteerde haar werk over het effect van een zelfhulpgroepsprogramma op de gezondheidstoestand, de ernst van de vermoeidheid en de zelfredzaamheid bij patiënten met ME/cvs. Ze schetste de moeilijkheden in de VS met 2,5 miljoen ME/cvs-patiënten zonder gekende behandeling, waarvan velen bedgebonden zijn, moeite hebben om op medische afspraken te raken, lange afstanden moeten afleggen en een beperkte toegang hebben tot goed geïnformeerde artsen.

Haar project bestond uit het evalueren van de effectiviteit van een zelfhulpprogramma waarin energiebesparing, ontspanningstechnieken, gezonde voeding, etc. worden aangeleerd. Het betrof vier wekelijkse sessies van 2 uur. Primaire resultaatmetingen werden uitgevoerd bij aanvang, aan het einde van de cursus en in een follow-up na een maand. 33 patiënten waren geregistreerd. Gegevens werden verzameld uit zelfrapportage, vragenlijsten en functionele capaciteitsschalen.

De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 50 jaar en de meesten hadden wat overgewicht.

Bij een follow-up na een maand was er een significante positieve verandering in mentale vermoeidheid, energie en symptomen. Dit heeft gevolgen voor verandering in praktijk. Een educatieve interventie op het gebied van zelfmanagement is klinisch gezien effectief in het verminderen van de impact van de ziekte op het fysieke en psychische welzijn. Het zou nuttig zijn om aan huis gebonden patiënten te kunnen bereiken en een persoonlijke life-coach in te schakelen.

De voordelen van orale rehydratatie bij orthostatische intolerantie van kinderen met het Posturaal Orthostatisch Tachycardiesyndroom (POTS) werd besproken door Marvin Medow (New York, VS). Hij schetste de symptomen, die werden geïnduceerd door een snelle verplaatsing via de zwaartekracht van 500-700ml van het centrale naar het splanchnische bed en bloedvaten in de onderste ledematen. Hij bestudeerde 10 patiënten met POTS die ook een diagnose van ME/cvs hadden. Er waren 15 gezonde controles. Hij vergeleek de werking van een liter isotone intraveneuze zoutoplossing gedurende dertig minuten met een orale rehydratatievloeistof (ORS) die natrium en glucose bevatte, eveneens gedurende 30 minuten, met behulp van een negatieve drukmachine voor het onderlichaam (?).

POTS-lijders met orthostatische intolerantie hadden ongeveer 1/3 van de tolerantie voor orthostatische stress in vergelijking met controles.

ORS (orale rehydratatiesolutie), in tegenstelling tot een intraveneuze zoutoplossing, kon de snelheid van de hersendoorbloeding behouden tijdens de orthostatische stress. Zowel ORS als IV-zoutoplossing beperkten de effecten van orthostatische stress in vergelijking met controles en onbehandelde POTS-patiënten.

De orale rehydratiesolutie is handig, veilig en doeltreffend voor kortetermijnbestrijding van orthostatische intolerantie. Natrium wordt beter geabsorbeerd als de oplossing glucose bevat, zoals dat ook het geval is met algemeen verkrijgbare ORS.

Rhonda (Jane) McKay (Vancouver, Canada) schetste de ervaring in Vancouver met het gebruik van naltrexone in lage dosis (LDN) bij ME/cvs en FM. Haar studies hadden 3 doelstellingen: een overzicht van de literatuur, een blik op de resultaten en een voorstel voor een gerandomiseerde gecontroleerde studie (RCT). LDN toont succes en veelbelovende resultaten bij deze ziektebeelden. Casusrapporten laten minimale nadelige effecten zien. In één publicatie werd vastgesteld dat 73,9% van de patiënten verlichting van veel symptomen ondervond. Bijwerkingen waren mild en bestonden uit slapeloosheid, misselijkheid en duizeligheid en maag-darmklachten.

Naltrexone moduleert het immuunsysteem, waardoor de ontsteking via microgliacellen afneemt. TNF-productie wordt onderdrukt. Er is een verhoogd endorfine-effect door stimulering van de opiaatreceptoren.

Het wordt “off label” gebruikt in Canada. Ze heeft retrospectief de dossiers van 97 gevallen bekeken, en LDN werd in een derde van de gevallen gebruikt. De dosis varieerde van 0,25 tot 4,5 mg. Bijzondere gunstige effecten waren er op het vlak van energie, pijn, slaap en de cognitieve functie. Bijwerkingen waren onder andere slapeloosheid, huiduitslag en maag-darmklachten. De studie toonde een goede verbetering aan via de vragenlijsten PHQ9 en McGill Pain Questionnaire.

Een gerandomiseerde, gecontroleerde studie is gerechtvaardigd omdat het geneesmiddel veilig is, potentiële voordelen biedt en minimale bijwerkingen heeft.

Dan volgde een vraag- en antwoordsessie:

Welke formulering voor de orale rehydratatieoplossing moet worden gebruikt? Water alleen veroorzaakt uitdroging. Er werden 2 opties aangehaald: Normalyte of de WHO-formule (Jainus bros) Je moet op de kostprijs letten (M.M.)

Kan Palmitoylethanolamide (PEA) in aanmerking komen voor pijnbestrijding? Het kan nuttig zijn (R.M.)

Kunnen hogere doses LDN worden gebruikt? b.v. 20mg. De literatuur is vaag en er zijn geen studies gedaan bij deze ziekten met een hogere dosis. (R.M.)

Als de patiënt last heeft van slapeloosheid of nachtmerries, wat is dan de beste aanpak? -Verlaag de dosis (R.M.)

Klinische en onderzoeksnetwerken

Caroline Kingdon (LSHTM, Londen, VK) gaf een meelevend overzicht van haar werk bij het bezoeken van aan huis gebonden patiënten die ernstig getroffen zijn door ME/cvs. Ze werd ondersteund door een NIH-beurs en had 80 ernstig zieke patiënten tot 5 keer toe thuis bezocht. Deze patiënten waren vaak aan bed gekluisterd, in een verduisterde kamer met hevige pijn en hadden sondevoeding nodig.

De ziekte is voor deze personen zwaarder dan terminale kanker en ze vertegenwoordigen tot 25% van het totale aantal ME/cvs-patiënten. Ze wees erop dat we een zorgplicht hebben en de huisbezoeken zorgen voor validatie en deskundigheid voor een betrouwbare diagnose. Er is geen biomerker en er bestaat geen doeltreffende behandeling. De organisatie van het bezoek kan moeilijk zijn, en er is veel kennis en vaardigheid nodig. Negatieve ervaringen uit het verleden kunnen leiden tot nadelige gevolgen. Het is belangrijk om zich bewust te zijn van dergelijke zaken met als mogelijk gevolg postexertionele malaise, schadelijke invloeden van dingen als geuren/parfum, cognitieve problemen, enz.

Ze ziet het als een voorrecht om in hun woning binnen te mogen. Ze heeft haar 6 C’s op een rijtje gezet die ze gebruikt als leidraad:

Betrokkenheid (Compassion), Zorg (Care), Competentie (Competence), Communicatie (Communication), Doorzettingsvermogen (Courage), Toewijding (Commitment).

De inzet van de zorgverlener kan zeker een positieve invloed hebben op de levenskwaliteit van een persoon die zwaar getroffen is door ME/cvs.

Matthew Schu (NC, VS) stelde een dataportaal voor, toegespitst op ME/cvs, dat de zoektocht naar gegevens in meerdere biologische disciplines ondersteunt. Hij presenteerde een centraal platform om gegevens samen te brengen en zo het delen van gegevens te bevorderen. Dat heeft een impact op vele systemen, waarbij elk systeem andere tools vereist. Er is een zeer specifieke training nodig om duizenden datapunten te integreren, wat leidt tot het in kaart brengen van ME/cvs.

De website is tot nu toe ontwikkeld als dataverzamelaar voor: metabolomica, miRNA-sequentie, genexpressie, DNA-methylering en RNA-sequentie. De onderzoeker kan de data bestuderen en aan de hand van verschillende tabellen zoeken naar datasets. Je kan dit vergelijken met een rondleiding op een website. Vorige versies kunnen worden onderzocht om te zoeken naar veranderende patronen. Dit levert robuuste data op die gedeeld kunnen worden. Het systeem is gebouwd met een op cloud gebaseerde infrastructuur.

mapMECFS is in januari 2020 gelanceerd. Het platform is beveiligd. Het zal verder uitgewerkt worden om beschikbaar te zijn voor de bredere onderzoeksgemeenschap.

Eliana Lacerda (LSHTM, Londen, VK) bracht verslag uit over een longitudinale analyse van klinische indicatoren betreffende ziekte-ernst en de bepalende factoren voor de levenskwaliteit van mensen met ME/cvs. Dit was een prospectieve cohortstudie met behulp van de Britse ME/cvs-biobank. Het was de bedoeling om de klinische evolutie van personen met ME/cvs te beoordelen, rekening houdend met de ernst van de symptomen en indicatoren voor de levenskwaliteit.

Er waren 601 deelnemers (waarvan 57 met een ernstige vorm). Er werden vergelijkingen gemaakt met een MS- en een controlegroep. Er werd gebruik gemaakt van klinische evaluaties, op basis van CPK in bloed, knijptest en van vragenlijsten. Niveaus van 4 groepen van gezonde controles tot ernstig zieke patiënten werden vergeleken op een correlatiematrix. Er waren hoge correlaties tussen symptoomdomeinen. Opvolging vond plaats op 4 tijdstippen.

Er is specifiek gebruik gemaakt van de fenotyperingsvragenlijst (PPQ). Er waren sterke associaties tussen SF36-PCS-scores en postexertionele, neurocognitieve, autonome en neuro-endocriene domeinen van de PPQ, alsook FSS-scores. Correlaties waren zwakker voor MCS-scores, welke matig waren voor slaap- en neurocognitieve domeinen. Alle andere correlaties waren zwak of zeer zwak.

De PPQ-score is van belang om de ernst van de symptomen vast te stellen en om de levenskwaliteit te meten. De grijpkracht van de hand is een klinische merker en het CPK in serum was significant lager in de groep met ernstige symptomen. De PEM-score is sterk gecorreleerd met het fysieke vermogen en de ernst van de vermoeidheid, maar het gebruik voor prognose moet nog worden onderzocht. De resultaten bevestigen de langdurige aard van ME/cvs, zonder significante veranderingen bij follow-up na 6 tot 12 maand. Dit is een puzzel die in elkaar begint te passen. Patiënten vinden een beter begrip en acceptatie van de diagnose. Dit is een teken voor een betere toekomst.

Dan volgde een vraag- en antwoordsessie:

Is er onderzoek gedaan naar de vraag of patiënten aan bed gebonden zijn vanwege POTS of OI? – Een studie die nodig is, maar deze patiënten zijn te ziek om een 10 minuten durende staande bloeddruktest te doen, ze kunnen mogelijks maar één minuut aan. (C.K.)

Heeft het lage CK-niveau invloed op activiteit? Dit was een onverwachte bevinding en moet opgevolgd worden om te valideren. (E.L.)

Immunologie – Metabolisme

Ryan Whelan (Incline Village. NV, VS) presenteerde zijn werk over ME/cvs en dunnevezelneuropathie geassocieerd met auto-immuniteit (Autoimmune Associated small nerve fibre neuropathy, aaSFPN). Dit is een neurodegeneratieve aandoening die wordt gekenmerkt door het verlies van perifere autonome zenuwvezels. Men vond het belangrijk om ME/cvs-patiënten te identificeren die zich aandienen met comorbide aaSFPN. De dyautonomiesymptomen zijn klinisch bijna identiek tussen ME/cvs en aaSFPN. Huidbiopsie ter diagnose toont een degeneratieve vermindering van dunne vezels aan bij aaSFPN.

Dit was een pilootstudie. Hij keek naar andere ziekten met vergelijkbare symptomen om te zien of er bewijs was voor auto-immuniteit met verhoogde antilichamen. Hij stelde vast dat veel patiënten verhoogde antistoffen hadden tegen β1, β2, cholinerge 3 en cholinerge 4. 52% was positief voor ten minste één antilichaam. 80% van de patiënten had POTS of orthostatische intolerantie. 38% van de patiënten met ME/cvs had symptomen die wijzen op dunnevezelneuropathie.

Een pilootstudie gaf aan dat intraveneuze immunoglobuline doeltreffend kan zijn als behandeling voor patiënten met verhoogde antistoffen tegen cholinerge receptor 3 en 4. Er was een significante verbetering in één casusstudie. Hij benadrukte de noodzaak om de subgroep te bepalen die op deze behandeling kan reageren.

Daniel Missailidis (Melbourne, Australië) besprak zijn werk over de ontregeling van de mitochondriale functie en de brandstofvoorkeuren van lymfoblasten bij ME/cvs . Mitochondriën produceren cellulaire energie. Er zijn 2 signaalwegen. Hij gebruikte respirometrie met de Seahorse om de respiratie te meten van lymfoblasten bij ME/cvs. Hij beschreef de elektronentransportketen.

ATP-synthese bleek lager te zijn in cellen bij ME/cvs, wat tot inefficiëntie leidt. De ATP-toevoer in rust was ongewijzigd. Er doet zich een compenserende opwaartse regulering van de respiratiecapaciteit voor. Complexen 1-4 functioneerden normaal. Complexen 1-5 waren opwaarts gereguleerd in respiratiecapaciteit – dit gebeurt translationeel. TORC1-activiteit was chronisch geactiveerd in lymfoblasten bij ME/cvs, wat wijst op een aanhoudende stressrespons. De AMPK-activiteit was lichtjes hoger. Processen die dit alles helpen ondersteunen, zijn verhoogd mitochondriaal transport en niet-mitochondriaal metabolisme. De TCA-cyclus was verhoogd in transcriptoom en proteoom. Glycolyse was onveranderd. De pentosefosfaatcyclus was opwaarts gereguleerd. Vetzuur-β-oxidatie-enzymen waren opwaarts gereguleerd, net als aminozuurafbraak en proteolyse.

Aangezien stressdetectie- en compensatiemechanismen al chronisch geactiveerd zouden zijn om te voorzien in de energiebehoefte in rust, zou dit de cellen rigide kunnen maken op het vlak van extra energiebehoeften.

Dan volgde een vraag- en antwoordsessie:

Hoeveel patiënten waren betrokken bij de Melbourne-studie? 51 – variabiliteit geclusterd met ernst. (D.M.)

Zal u in de toekomst onderscheid maken tussen oorzaak en gevolg – Ja (D.M.)

Werd er naar andere antilichamen gekeken, of was deze studie specifieker? – De controles hadden andere autoantilichamen (R.W.).

Kan een speciaal dieet, of toevoeging van supplementen, van nut zijn? – Dit is anekdotisch en te vroeg om te zeggen. Toekomstige studies zullen hierbij nuttig zijn (D.M.)

Werd er een kanteltafel gebruikt voor de diagnose van orthostatische intolerantie/POTS? – De meesten werden gediagnosticeerd met behulp van de leuntest. (R.W.)


De conferentie werd afgesloten op een positieve noot en Lily Chu (IACFS/ME co-vicevoorzitter) bedankte iedereen voor zijn of haar aanwezigheid en inzet voor de zovele uitstekende presentaties. Ze was haar briljante ondersteuningsteam erkentelijk. Het houden van een onlineconferentie zoals deze duidt zeker op de mogelijkheid van soortgelijke evenementen in de toekomst.

Wij willen de IACFS en ANZMES bedanken voor de kans om dit prestigieuze evenement bij te wonen.

© Rosamund Vallings & Sarah Dalziel. Vertaling Els, redactie Abby & Zuiderzon, ME-gids.

Geef een reactie

Zijbalk

Slider
Volg ons
<< apr 2021 >>
mdwdvzz
29 30 31 1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30 1 2
Geen Evenementen
Recente Links