random
Artikels

Hits: 1119
Geplaatst
door: ME-gids
op: 20 sep 2017
Bijgewerkt: 20 sep 2017
Bron: David Tuller, Virology Blog

Trial by error: NICE verwerpt mijn verzoek op basis van vrijheid van informatie


We komen iets achter met verslaggeving. Het recentste nieuws over NICE is dat ze besloten hebben om hun ME/cvs-richtlijn volledig te herzien. (Engels artikel)

David Tuller, DrPH, 31 juli 2017

Het National Institute for Health and Care Excellence, de Britse organisatie die klinische richtlijnen voor medische aandoeningen ontwikkelt, heeft mijn verzoek op basis van vrijheid van informatie (FOI) verworpen voor de namen van experts die betrokken zijn bij de herbeoordeling van de richtlijn voor de ziekte die het CVS/ME noemt. Dit is niet verrassend, aangezien het agentschap recent ook vergelijkbare verzoeken van de Gravin van Mar en de ME Association verworpen heeft. Echter, het antwoord van NICE op mijn verzoek op basis van vrijheid van informatie, dat ik vrijdag ontvangen heb, bevat wat nuttige informatie en verduidelijkt het besluitvormingsproces. Ik heb hieronder het antwoord van NICE bijgevoegd, maar hier zijn enkele belangrijke observaties.



De richtlijn van 2007, CG53 genoemd, onderschreef cognitieve gedragstherapie en graduele oefentherapie als de behandelingen die de voorkeur genieten. Volgens het antwoord in het kader van vrijheid van informatie, bevat het toezichtsteam dat het onlangs gepubliceerde “raadplegingsdocument” opgesteld heeft, dat geen verandering in deze richtlijn aanbeveelt, vier stafleden van NICE: een technisch analist, een technisch adviseur, een klinisch adviseur en een mede-directeur. Bij het ontwikkelen van hun voorstel consulteerden ze zeven deskundigen ter zake – drie psychiaters, twee neurologen, een pediater en een patiëntenvertegenwoordiger. Het voorlopige besluit van het toezichtsteam om de richtlijn te laten zoals ze is, was deze maand het startschot van de periode van twee weken waarin belanghebbenden commentaar mogen leveren. De uiteindelijke beslissing zal nu genomen worden door een groep van acht NICE-ambtenaren, samen het “uitvoerend orgaan richtlijnen” genaamd. In de groep van acht zitten: Sir Andrew Dillon, de algemeen directeur van NICE, Mark Baker, de directeur van het Centre for Clinical Practice, en communicatiedirecteur Jane Gizbert.

Volgens het FOI-antwoord waren vier van de geconsulteerde deskundigen ter zake van de commissie die de richtlijn in 2007 ontwikkeld heeft. Die lijst omvatte Professor Esther Crawley van de Universiteit van Bristol, die vermoedelijk de kinderarts onder de deskundigen ter zake zou kunnen zijn. (Voor degenen die de saga niet van nabij gevolgd hebben: Professor Crawley heeft mij er valselijk van beschuldigd van haar te belasteren in twee groot aangekondigde lezingen dit jaar – haar openingstoespraak aan haar eigen instituut en een lezing voor de Britse Nierstichting. Ondanks mijn meerdere inspanningen om haar een verklaring te ontfutselen, heeft zij mij geen enkel stukje bewijsmateriaal over deze belachelijke beschuldiging kunnen verstrekken.

Het is ongepast en onbevredigend dat psychiaters de grootste groep waren die vertegenwoordigd zijn onder de deskundigen ter zake. Blijkbaar slaagt NICE er nog steeds niet in om heel nadrukkelijk te erkennen dat de ziekte in kwestie het geen psychiatrische of psychologische aandoening is; het agentschap accepteert blijkbaar zonder twijfel het misleidende standpunt van de kliek van Britse psychiaters, psychologen en anderen die het debat voor de laatste drie decennia gekaapt hebben. De rapporten van het Amerikaanse National Institutes of Health en het Institute of Medicine (nu the National Academy of Medicine) uit 2015 hebben afdoende gedocumenteerd dat ME/CVS, zoals de Amerikaanse overheidsinstanties de ziekte nu over het algemeen noemt, een echte fysieke ziekte is en geen waanidee van de patiënt.

Het PACE/CGT/GET-tegenverhaal – dat enkel deconditionering verantwoordelijk is voor het voortduren van de symptomen, en dat patiënten leven in de “onzinnige overtuiging" dat ze een medische aandoening hebben – is niet gebaseerd op legitiem wetenschappelijk onderzoek. Ondanks de wanhopige pogingen van de PACE-onderzoekers om hun geliefkoosde theoretische kader te verdedigen, is het nu duidelijk voor de internationale wetenschappelijke gemeenschap dat de gerapporteerde bevindingen van de studie in The Lancet (2011) en Psychological Medicine (2013) enorm opgeblazen waren – het resultaat van een ongebreidelde verandering van uitkomstmaten en andere flagrante methodologische fouten.

Naast PACE en andere studies op basis van de Oxford-criteria, citeert het NICE-document de Cochrane-review van CGT en GET ter ondersteuning van zijn conclusie. Eerst en vooral neemt Cochrane de ziekte die het CVS noemt, op in zijn sectie van psychische aandoeningen, wat onmiddellijk vragen oproept over het vooringenomen standpunt van de organisatie. Bovendien, gezien de inclusie van PACE en andere studie die gebruik maken van overdreven brede casedefinities in de Cochrane-analyse, is het NICE-raadplegingsdocument ernstig misleid om deze reviews als betrouwbaar bewijs aan te halen. Immers, de Cochrane-analyses kunnen niet legitiem en accuraat zijn wanneer de studies die ze insluiten, dat niet zijn zijn. (Ik ben van plan om het over Cochrane te hebben in een volgende blogpost.)

Zowel CGT als GET betreffen het vertellen van patiënten dat deze benaderingen hen zullen helpen om beter te worden – een duidelijke methode om de resultaten te vertekenen, vooral aangezien de studie niet geblindeerd was. De behandelingen lijken een bescheiden verbetering te geven in subjectieve metingen maar geen langetermijnvoordelen ten opzicht van andere behandelingen of managementbenaderingen. Noch PACE noch andere studies van deze groep onderzoekers hebben objectieve verbeteringen gedocumenteerd die overeenkomen met deze subjectieve resultaten; inderdaad, objectieve metingen hebben consequent gefaald in het ondersteunen van de claims van verbetering en herstel. Het belang van deze opvallende feiten lijkt niet door te dringen bij het NICE-controleteam, dat blijkbaar aan dezelfde “disfunctionele gedachten” lijdt als de PACE-onderzoekers over de doeltreffendheid van hun strategie.

In normale omstandigheden zou het wellicht passend zijn om commissieleden in te sluiten die in vorige richtlijnen als deskundigen ter zake in het reviewproces gewerkt hebben. Maar dit zijn geen normale omstandigheden. Met deze ziekte, is een beroep doen op deze commissieleden een slechte zet. Het spreekt vanzelf dat degenen die de volkomen ontoereikende en potentieel gevaarlijke richtlijn uit 2007 ontwikkeld hebben, niet bereid zijn hun eigen vroegere standpunt, dat GET en CGT effectief zijn, te betwisten. Dit geldt vooral aangezien de PACE-auteurs en andere aanhangers van de biopsychosociale benadering consequent hun onwil hebben aangetoond om kritiek te aanvaarden die hun standpunt betwist. Ze weigeren bijvoorbeeld te erkennen dat geen enkele studie waarin deelnemers bij aanvang al aan de uitkomstdrempels voldoen, voordat ze ook maar enige behandeling gekregen hebben, een plaats heeft in de wetenschappelijke literatuur, zoals tientallen bekende experts duidelijk hebben gemaakt in open brieven aan The Lancet en Psychological Medicine.

In het geval van Professor Crawley, stelt haar onderzoek over de prevalentie van de ziekte onder kinderen consequent het symptoom van “chronisch vermoeidheid” gelijk aan “chronisch vermoeidheidssyndroom.” Door het op één hoop te gooien, nemen de aantallen van degene die zogezegd getroffen zijn, dramatisch toe. Haar werk, zoals haar voorstel voor de FITNET-NHS-studie van online CGT voor kinderen, stelt de NICE-richtlijn die zij zelf mee ontwikkeld heeft, ook verkeerd voor zodat postexertionele malaise een optioneel symptoom lijkt weer te geven, in plaats van een verplicht. Wanneer haar wordt gevraagd om deze scheeftrekking te verantwoorden, kiest ze ervoor om haar critici te beledigen in plaats van een bevredigende verklaring te geven voor haar gebrekkige methodologische keuzen. Het is daarom zeer lastig dat het NICE-raadplegingsdocument FITNET-NHS citeert als belangrijk nieuw onderzoek dat een rol zal spelen bij toekomstige richtlijnen.

Het antwoord van NICE op mijn FOI-verzoek geeft aan dat het agentschap zich gewend heeft tot de deskundigen ter zake en hun mening heeft gevraagd omtrent het vrijgeven van hun identiteit. Drie van hen drukten hun bezorgdheid uit over het feit dat hun naam publiek zou worden gemaakt; een vierde kon niet bereikt worden. De reactie zegt niks over het eventuele antwoord van de overige drie; misschien hebben ze helemaal geen bezwaar gemaakt. Niettemin, op basis van de antwoorden van de drie die bezwaar hebben gemaakt, heeft NICE beslist om alle namen geheim te houden.

Volgens het antwoord van NICE is hier waarom de drie deskundigen ter zake bezwaar hebben gemaakt: “Redenen zijn onder andere hun ervaring, en die van andere experts in het veld, van verbonden te zijn met dit onderwerp. Deze omvatten zorgen over persoonlijke intimidatie, eerdere belediging en bedreigingen die zij hebben ondergaan toen ze betrokken waren bij het werk over dit onderwerp.”

Het moet duidelijk worden gesteld dat de PACE-auteurs routinematig deze opgeblazen claim hebben gebruikt als een manier om critici in diskrediet te brengen. De beslissing van de rechtbank van vorige zomer echter die de Queen Mary University of London bevolen heeft om de ruwe studiedata vrij te geven, verwierp de claims als ongegrond. De beslissing van de rechtbank merkte op dat de enige betrouwbare bewijzen die in de rechtbank gepresenteerd werden over dergelijk gedrag een incident betrof waarin Professor Trudie Chalder, een van de drie hoofdonderzoekers van PACE, uitgejouwd werd tijdens een lezing. Professor Chalder zelf erkent in haar getuigenis voor de rechtbank dat geen van de onderzoekers doodsbedreigingen heeft gekregen, ondanks hun gewoonte om altijd maar opnieuw de kwestie van belediging door patiënten op te rakelen. Zoals eerder werd gedocumenteerd, was de golf van nieuwe verhalen over deze vermeende doodsbedreigingen een PR-stunt georganiseerd door het Science Media Centre.

Dus hebben sommige CGT/GET-onderzoekers beledigende e-mails ontvangen, of andere berichten die hen van streek hebben gemaakt? Ik heb geen reden om hieraan te twijfelen. Misschien stond in sommige van deze berichten zelfs iets wat zou kunnen worden beschouwd als bedreiging. Maar Professor Crawley en haar collega’s hebben routinematig de aandacht van de gebreken van hun onderzoek afgeleid door zichzelf te wentelen in martelaarschap, en door luidkeels te klagen dat zelfs het indienen van verzoeken op basis van vrijheid van informatie een vorm is van pesterijen – een belachelijk argument, aangezien patiënten een wettelijk recht hebben om belangrijke informatie op te vragen over publiek gefinancierde studies. En deze onderzoekers zetten accurate kritiek bovendien weg als ergerlijk en onwettig. Dat is wat Professor Crawley eerder dit jaar deed wanneer ze mij beschuldigde van “lasterlijk bloggen” in een dia die getoond werd tijdens haar twee toespraken.

Dus hoewel ze beweren dat ze een open en transparant proces belangrijk vinden, staat NICE de betrokken deskundigen ter zake toe – waaronder vier wiens namen reeds publiek zijn in het kader van de richtlijncommissie in 2007 – om zichzelf in anonimiteit te hullen. Dit is onaanvaardbaar. Gezien de enorme impact van deze herbeoordeling van CG53 en de grote publieke interesse in het begrijpen hoe beslissingen genomen worden, zou NICE deze verwerping van mijn verzoek moeten heroverwegen.

Ik doe een beroep op het agentschap om hun initiële beslissing terug te draaien. Naar aanleiding van de verwachte verwerping van het agentschap van mijn verzoek, zal ik dan beroep doen op de Commissioner’s Office. Wat de ultieme uitkomst van mijn verzoek ook is, doet het FOI-antwoord vermoeden dat het van cruciaal belang is dat de leden van het uitvoerend orgaan richtlijnen erkennen dat een pro forma bekrachtiging van de richtlijn uit 2007 een PR-ramp zal zijn. Meer dan 15.000 mensen hebben de petitie van de ME Association getekend die protesteert tegen de voorlopige beslissing van NICE; dat zijn heel erg veel ongelukkige patiënten. Met PACE dat nu ontmaskerd is als een oneerlijk en zelfs frauduleus stuk onderzoek, is de grond van het debat verschoven. Overgaan tot de orde van de dag is geen optie meer.

**********

Hier is het inhoudelijke deel van het antwoord van NICE op mijn verzoek in het kader van Vrijheid van Informatie:

Bedankt voor uw verzoek voor informatie op basis van de Wet op de Vrijheid van Informatie (FOIA), ontvangen op ons kantoor op 7 juli 2017. U verzocht de volgende informatie over de review van de CVS/ME-richtlijn (CG53):

Het aantal mensen in het deskundigenpanel dat input van belanghebbenden zal beoordelen

  1. Het aantal, indien mogelijk, van deze mensen die dezelfde zijn als degene die in het panel zaten die de richtlijnen van 2007 ontwikkeld hebben
  2. De namen van mensen in het deskundigenpanel die de richtlijn over CVS/ME herbekijken, van hen die momenteel dienst doen en van degenen die dienst gedaan hebben in het afgelopen jaar.

Achtergrond

Er is geen deskundigenpanel dat input van belanghebbenden evalueert in ons herzieningsproces. U kan er meer over lezen hoe wij controleren of gepubliceerde richtlijnen actueel en accuraat zijn in onze richtlijnenhandleiding.

Voor deze review volgden wij het proces voor controles op 4 en 8 jaar. Het omvat uitgebreide zoekopdrachten om eventuele nieuwe primaire en secundaire studies te identificeren, inclusief eventuele economische studies. De nadruk ligt op het toepassingsgebied van de gepubliceerde richtlijn, maar eventuele bijkomende gebieden of veranderingen in de praktijk die geïdentificeerd zijn, worden ook in beschouwing genomen als ze van toepassing zijn op de gepubliceerde richtlijn. Een literatuurzoekopdracht wordt uitgevoerd over een scala aan bronnen. Deze kunnen variëren van onderwerp tot onderwerp. Ze worden geselecteerd volgens hun relevantie tot het onderwerp en zijn gebaseerd op diegene die gebruikt zijn in de gepubliceerde richtlijn.

Deskundigen ter zake en leden van de originele richtlijncommissie worden om hun mening gevraagd, in hun persoonlijke capaciteit, over de relevantie van de gepubliceerde richtlijn, recente ontwikkelingen in het themadomein en hun kennis van eventuele nieuw belangrijk bewijs sinds de publicatie van de richtlijn. Richtlijncommissies zijn verantwoordelijk voor de gemaakte aanbevelingen en we publiceren het lidmaatschap van hen. We publiceren niet routinematig de identiteit van de deskundigen ter zake omdat – hoewel ze een mening uiten – ze geen deel uitmaken van het besluitvormingsproces.

Het controlereviewteam van NICE vat het relevante bewijs samen en belicht alle studies die mogelijk een belangrijke impact hebben op onze aanbevelingen. De hoofdthema’s van nieuw, relevant bewijs doorheen de richtlijn worden ook samengevat, samen met eventuele andere geïdentificeerde informatie (zoals wijzigingen in licentieaanwijzingen voor een geneesmiddel of geüpdatet nationaal beleid). Het controleteam is samengesteld uit medewerkers van NICE – technisch analist, technisch adviseur, klinisch adviseur en mede-directeur.

De informatie die werd aangebracht als onderdeel van de controlereview vormt de basis van een reviewvoorstel voor NICE’s Uitvoerend Orgaan Richtlijnen. In dit geval was het reviewvoorstel een publiek raadplegingsdocument. Wanneer de samengevatte informatie in de review aangeeft dat een beslissing van ‘geen update’ overwogen moet worden, is er een consultatie van twee weken met belanghebbenden die geregistreerd zijn voor de gepubliceerde richtlijn.

De finale beslissing over de vraag of een update nodig is, is gebaseerd op een evenwichtige beoordeling van nieuw relevant bewijs dat gepubliceerd is sinds de publicatie van de richtlijn, de standpunten van de deskundigen ter zake, feedback tijdens het overleg en andere bronnen van informatie over de verdere relevantie van de richtlijn. De bevindingen van de toetsing over de noodzaak voor een update worden besproken met deskundigen ter zake. Alle voorstellen gaan door een intern validatieproces (inclusief officieel akkoord door de mede-directeur en directeur) alvorens te worden ingediend bij NICE’s Uitvoerend Orgaan Richtlijnen). Het is het Uitvoerend Orgaan Richtlijnen dat de beslissing neemt om de richtlijn te updaten of niet.

Antwoord op uw verzoek onder de FOIA

Gezien bovenstaande achtergrond, in antwoord op uw verzoek, heb ik aangenomen dat u met ‘expertenpanel’ bedoelt de ‘deskundigen ter zake’ die om hun mening gevraagd werden over de relevantie van de gepubliceerde richtlijn.

  1. Het aantal mensen in het expertenpanel dat input van belanghebbenden zal reviewen.
    Zeven deskundigen ter zake werden om hun mening gevraagd over de relevantie van de gepubliceerde richtlijn.
  2. Het aantal, in voorkomend geval, van deze mensen die dezelfde zijn als degene die in het panel zaten dat de richtlijnen van 2007 ontwikkeld heeft.
  3. De namen van de mensen in het expertenpanel die de richtlijnen over CVS/ME reviewen, degene die momenteel in dienst zijn en degene die in dienst waren in het afgelopen jaar.

Wij hebben de namen van de deskundigen ter zake die om hun mening gevraagd werd over de relevantie van de gepubliceerde richtlijn. Voor uw informatie behoren de deskundigen ter zake tot de volgende vakdomeinen: neurologie (2), psychiatrie (3), pediatrie (1), patiëntenvertegenwoordiger (1). Wij vinden echter dat de namen vrijgesteld zijn van bekendmaking onder 2 secties van de FOIA. We leggen deze vrijstellingen hieronder uit en waarom we die toegepast hebben.

Artikel 40 – Persoonlijke informatie

Artikel 40 biedt een vrijstelling van het recht om te weten als de verzochte informatie persoonsgegevens zijn die beschermd zijn door de Wet op Gegevensbescherming. Persoonsgegevens zijn gegevens die verband houden met een levend individu dat uit die gegevens geïdentificeerd kan worden. De namen van deze personen zijn duidelijk persoonlijke gegevens.

Onder artikel 40(2) houden wij de namen van de deskundigen ter zake achter omdat we van mening zijn dat deze vrijgeven, de principes van het Data Protection Act zou overtreden. Bij het bereiken van deze beslissing hebben we overwogen of openbaarmaking eerlijk zou zijn voor de betrokkenen, de gevolgen van de bekendmaking, de redelijke verwachtingen van de personen en elk legitiem publiek belang in het bekendmaken van de informatie.

NICE publiceert niet routinematig de namen van deskundigen ter zake die bijdragen aan het reviewproces, daarom hadden de personen niet verwacht dat deze informatie publiek gemaakt zou worden. We schreven naar de deskundigen ter zake om hen te vragen of ze enig bezwaar hadden of hun identiteit openbaar gemaakt werd voor het publiek, en indien zo, wat hun bezwaren waren. Drie van hen waren sterk gekant tegen het bekend maken van hun identiteit in deze context en één kon niet tijdig gecontacteerd worden.

De redenen die opgegeven werden, zijn onder andere hun ervaring en die van andere experts in het domein, nl. het verbonden zijn met dit onderwerp. Deze omvatten zorgen over persoonlijke pesterijen, eerdere beledigingen en bedreigingen die zij hebben ondergaan wanneer ze betrokken waren bij werk over dit onderwerp. We kregen een link toegestuurd naar een nieuwsartikel in de Guardian die bedreigingen en beledigingen beschrijft die direct gericht zijn tegen de onderzoekers en professionals in dit vakgebied.

NICE is ook bezorgd dat de bekendmaking van de identiteit van de deskundigen ter zake een significante impact zou hebben op het vermogen van de experts om bij te dragen aan ons werk over dit onderwerp in de toekomst. Dit punt werd ondersteund door Mr Justice Simon in de juridische review die volgde op de publicatie van de originele richtlijn. Hoewel Mr Simon in zijn oordeel naar de commissieleden van de richtlijn verwees dat de impact hetzelfde zou zijn als de identiteit van de deskundigen ter zake die voor hun opinie in het reviewproces gevraagd werden, publiek gemaakt zou worden.

Wanneer personen leden zijn van een groep die richtlijnen ontwikkelt (ook bekend als een richtlijncommissie), is hun identiteit publiek beschikbaar op onze website omdat het lidmaatschap, als geheel, verantwoordelijk is voor de aanbevelingen die gemaakt worden. Zoals hierboven beschreven, worden de deskundigen ter zake in het reviewproces om hun mening gevraagd, maar de beslissing van de review wordt genomen door de NICE’s Uitvoerend Orgaan Richtlijnen wiens lidmaatschap publiek beschikbaar is op onze website.

Aangezien 3 van de deskundigen ter zake bezorgd zijn over het feit dat hun identiteit publiek gemaakt worden end at er één niet gecontacteerd kon worden, zijn wij van mening dat het niet eerlijk zou zijn om de overblijvende namen publiek te maken aangezien dit het effect zou kunnen hebben van onredelijke focus op deze personen.

We erkennen het publiek belang om ervoor te zorgen dat overheidsinstanties transparant en verantwoordelijk blijven, en open staan voor controle. We erkennen ook dat openbaarmaking de mensen in staat zou stellen om beslissingen van overheidsinstanties meer in detail te begrijpen, al met al vinden we echter niet dat het publieke belang voor bekendmaking groter is dan het belang in het handhaven deze personen hun privacy.

Daarom concluderen we dat het niet eerlijk zou zijn om de informatie onder artikel 40(2) van de FOIA bekend te maken.

Artikel 38 – gezondheid en veiligheid

Artikel 38 stelt dat informatie vrijgesteld is van bekendmaking als die bekendmaking zou of zou kunnen

a) De fysieke of mentale gezondheid van een persoon in gevaar brengen, of

b) De veiligheid van een persoon in gevaar brengen

De deskundigen ter zake en andere experts in hetzelfde domein, hebben specifiek verwezen naar bedreigingen en pesterijen waar ze in het verleden mee te kampen hadden, zoals hierboven beschreven.

We hebben ook overwogen of een deel van deze informatie al in het publiek domein staat vanwege het eerder werk van deze personen in deze of andere domeinen . Aangezien 4 van de deskundigen ter zake ook in de richtlijncommissie zaten, is hun interesse in het domein reeds in het publiek domein. Echter, in de context van de review, overleg en de campagneactiviteit rond NICE’s voorstel vinden we dat de informatie vrijgeven op dit moment een direct verband zou vormen tussen de experts en het reviewvoorstel en zou hun zichtbaarheid verhogen. Daarom zou bekendmaking op dit moment allicht het risico verhogen dat men zich op deze personen zou richten en dat zou kunnen tot bijkomende schade leiden.

Mr. Justice Simon heeft ook verwezen naar ongegronde beschuldigingen die tegen de leden van de richtlijncommissie gemaakt werden en zijn oordeel stelde dat ‘ongegrond zoals ze waren, waren de beschuldigingen schadelijk voor degenen die tegen wie ze gemaakt werden; en zo kunnen gezondheidswerkers twijfelen voordat ze zich gaan bezighouden met dit domein van de geneeskunde. De perceptie dat dit een gebied van de geneeskunde is waar tegengestelde standpunten niet uitgesproken mogen worden, en waar wetenschappelijk onderzoek beperkt moeten worden, is schadelijk voor de wetenschap en schadelijk voor de patiënten.”

Gezien de omvang en de aard van de correspondentie (aanvragen, petities, brieven, activiteit op discussiefora, verzoeken op basis van Vrijheid van Informatie), die we tot nu toe ontvangen hebben, zijn we bezorgd dat de experts individueel aangevallen kunnen worden door een of andere actie en dat zo’n activiteit gevolgen zou hebben voor het welzijn van de experts en voor hun en anderen hun bereidheid om bij te dragen aan het werk van NICE in de toekomst, in het bijzonder wanneer zij geen deel uitmaken van de beslissingsinstantie.

We kunnen niet zeker zijn dat de vrijgave van de achtergehouden informatie de personen in gevaar zou brengen maar we vinden dat er voldoende bewijs is om te concluderen dat ze zouden worden geviseerd via pesterijen, intimidatie en mogelijk bedreigingen met geweld.

Deze vrijstelling is onderworpen aan het algemeen belang. We aanvaarden dat er een significante publieke interesse is om aansprakelijk en transparant te zijn voor de beslissingen die we nemen en voor de personen die begrijpen hoe we onze beslissingen maken. NICE heeft echter ook de plicht om het fysieke en mentale welzijn van de betrokken te beschermen.

In dit geval is de samenstelling van de beslissingsinstantie, het Uitvoerend Orgaan Richtlijnen, reeds in het publieke domein. Het reviewvoorstel is ook publiek beschikbaar en bevat uitgebreide discussie over het bewijsmateriaal, inclusief feedback van de deskundigen ter zake.

NICE werkt open en transparant. Al onze processen van richtlijnontwikkeling zijn in detail op de website gepubliceerd. We geloven dat het proces en informatie waarop het voorstel gebaseerd is, publiek beschikbaar is en onderworpen aan overleg. We vinden dat degene met belangstelling in deze richtlijn voldoende informatie hebben om in staat te zijn om zowel het proces als de beoordeling van het bewijs te begrijpen.

Gezien de bezorgdheid van de personen en ander bewijs van eerdere incidenten van experts in dit domein die het doelwit waren van pesterijen, inclusief bedreigingen met geweld in het verleden, concluderen we dat het publieke belang in het bekendmaken van de informatie niet opweegt tegen het belang in het handhaven van de vrijstelling in het kader van waarschijnlijke risico’s voor de gezondheid en veiligheid van de personen.

We besluiten daarom dat het niet eerlijk zou zijn om de informatie bekend te maken onder artikel 38 van de FOIA.

© David Tuller voor Virology Blog. Vertaling Zuiderzon, redactie Abby, ME-gids.


Lees ook


| |

Nog geen reacties geplaatst

Alleen ingelogde gebruikers kunnen een reactie plaatsen. Registreren of inloggen.